elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lijster

lijster , kliester , lijster.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
lijster , lîster , (vrouwelijk) , lîsters , lijster.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lijster , lijster , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , vgl. daklijster.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lijster , liester , lijster.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lijster , lisjter , lijster, een vogel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
lijster , liester , kliester , de , liesters, liesterings (Zuidoost-Drents zandgebied) , Ook kliester (Kop van Drenthe) = 1. lijster Der bint zwarte liesters merels (Die), ...grieze liesters grote lijsters (Exl), ...grauwe liesters grote lijsters (Row), ...grote liesters vroeger gevangen om te eten (Hgv), ...bonte liesters kramsvogels (Exl), ook gezegd van zanglijsters (Row), ...broene liesters (Hijk), ...kleine liesters zanglijsters (Dwi), ...gele liesters merels (Ros), Het is gebeurd mit vaoi, hij vangt gien kliesters meer (Row), Hij zingt as een liester (Mep), zie ook drousel 2. (vaak verkl.) klein, tenger persoon (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) Och, wat een liesterdie, die hef ook een slimme pape had (Dwi), Die kliester kan ok neit veul oet het stro zetten (Een)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lijster , liesdoorn , de , liesdoorns , (N:ti) = lijster
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lijster , liester , lijster
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lijster , liester , lijster.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
lijster , liester , zelfstandig naamwoord , de 1. lijster 2. merel 3. tenger meisje of vrouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lijster , liester , (zelfstandig naamwoord) , (zang)lijster. Zie ook: zangliester.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
lijster , lèijster , lijster
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lijster , liester , 1. lijster; 2. merel; dubbele liester, grote lijster (Nunspeet); liesterkrallen, lijsterkrallen, 1. lijsterbessen; 2. lijsterbesboom.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
lijster , liester , (mannelijk) , liesters , liesterke , lijster
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lijster , lèster , lèèster , zelfstandig naamwoord , lijster (Turdus); Cees Robben: lèster; WBD III.4.1:85 'lijster', 'todlijster', ' schijtlijster' , balklijster' - grote lijster (Turdus viscivorus); WBD III.4.1:88 'dubbellijster', ' kramlijster ' = kramsvogel, ook genoemd: vlierscheut; 81 'lijster' = merel; 85 -balklijster' = grote lijster 85 'schijtlijster','todlijster' = grote lijster; Antw. LIJSTER (uitspr. lest?r) - zelfstandig naamwoord v. en niet m. Fr. grive - lijster; lèèster; Henk van Rijen – lijster (Turdus)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut