elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lijken

lijken , liiken , op iets gelijken, het voorkomen hebben, te passe komen, effenen. De weg too liiken, en sloot too liiken, met den grond gelijk aanvullen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
lijken , lijkenen , gelijken, lijken. , Het lijkent nergens naar. Die broeders lijkenen goed op elkander.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
lijken , ’t lad , het lijkt, men zegt: ’t lad zoo stiif, het lijkt zoo stijf.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
lijken , lîken , (sterk werkwoord) , leek, eleken , lijken.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
lijken , lîken , (sterk werkwoord) , leek, eléken , lijken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lijken , lieken , in: as ʼt wat liekt = als het goed gaat, als het lukt. Vgl. toulieken. Zie ook: loaten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lijken , lijkenen , (zwak werkwoord) , Lijken. Weinig gebruikelijk. || Wel nou! die Schepenen van Oostaenen lykenen wyzer te zyn, as euse (uize, onze) Schepenen van Westsaenen, Schuytpraatje 18. Wel dat lykend nergens na, ald. 19. – Lijkenen komt bij verschillende oudere en nieuwe Holl. schrijvers voor; zie DE JAGER, Freq. 2, 802.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lijken , lijken , (sterk werkwoord) , Zie de wdbb. – Lijken met de inf. wordt niet alleen gezegd van iets dat schijnt te zijn, maar ook van wat werkelijk zo is. || Het lijkt wel te regenen (terwijl men ziet dat het stortregent). Je lijke (lijkt) wel zonder boezelaar te wezen (terwijl de spreekster ziet, dat de aangesprokene geen boezelaar om heeft). Ik lijk wel koud (ik begin koud te worden). – Zegsw. Wat lijkt het toch weinig! (nl. op een behoorlijke handelwijze); gezegd als iemand wat verkeerds doet. – Evenzo in het Stad-Fri.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lijken , lieken* , ook in: ’t liekt mie niks, of: ’t liekt mie nijt veul = ’t komt mij bedenkelijk, ongunstig voor; vergel.: tou .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
lijken , liekĕn , lijken.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
lijken , liekene , liek, lieks, liek, leek, geliekend , gelijken. Et liekens der neet op, het lijkt er niet op. Et liekent der op wie mien vot op ein kumke soep, het lijkt er volstrekt niet op.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lijken , lieken , lièk, elièkken , lijken. zie ook: laoten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
lijken , liekng , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: lik, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: leek , 1 gelijkenis vertonen, 2 toelijken, aanstaan
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lijken , loike , likke , werkwoord , 1. Lijken. 2. Blijken. Deze betekenistoepassing van lijken is zeer gangbaar als understatement. Tegen iemand die drijfnat is, zegt men wel: je loike wel nat te wezen. Wie koude voeten krijgt, kan zeggen: ik loik wel kouwe biene te krijgen. Opgemerkt zij, dat in het Westfries loike = lijken veel vaker wordt gebruikt dan skoine = schijnen, bv. hai loikt niet komme te kennen, ’t loikt, dat ie verhuize wul. Zegswijze ’t Loikt er net zo veul op as de maan op ’n reipeskil, het lijkt er totaal niet op. Verouderde variant likke | Ze likke op mekaar.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lijken , liekke , aan het genoemde doen denken, lijken, schijnen, in vele opzichten overeenkomen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
lijken , lieken , leek, elekken , gelijk maken; * dichte lieken: dichtgooien.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
lijken , lieken , leek, elekken , lijken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
lijken , lieken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe) = vlak maken De weg lieken (Rod)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lijken , lieken , in uut de lieken uit zijn verband, uit elkaar (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) De kaaste vaalt haost uut de lieken (Die), Hij greuit uut de lieken erg hard (Dwi), ook in in de lieken in zijn verband (Zuidwest-Drenthe) Het peerd har oeze hekke kepot eraomd, maar mit wat plaanken krege wij de boel toch weer in de lieken (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lijken , lieken , sterk werkwoord, onovergankelijk , lijken Doe liekst precies op dien vaor (Ros), Het kan wal zo lieken, mar het is niet zo (Coe), Het liekt hiel wat, maor het is niks (Dwi), Het liekt ernaor daw regen kriegt (Bor), Hoe liekt die dat? wat vind je ervan (Bov), Dat liekt er een beetien op het wordt al wat (Ass), ...nargens op lijkt nergens op (Bal), Hie liekt der goed van zit goed in de kleren (Sle), ’t Mot ok wat lieken (Dro), Het liekt net of het ien het westen wat opklaort (Ruw) *Mooi lieken en mal doen, mar niks presteren! (Sle); As het niks is en niks liekt, is het heilemaol niks (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lijken , lieken , gelijken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lijken , liekn , 1. lijken, gunstig lijken. Dât zol mien niet liekn, um elke aomd dat stuk weg te fietsn. 2. gelijken. Zol ik zoveule op mien moeder liekn? 3. egaliseren. ’t Âkkertien lig helemaole vol bultn, wie zult ’t liekn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
lijken , lékt krék , lijkt precies , Héij lékt krék óp d’n aauwe. Hij lijkt precies op zijn vader. Sprekend zijn vader.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lijken , lieken , in in de lieken kommen weer goed komen, weer recht praten; verder in uut de lieken uit het normale verband, vooral: de normale mogelijkheden van het menselijk lichaam te buiten gaand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lijken , lieken , werkwoord , 1. lijken, gelijkenis hebben 2. aanstaan, als prettig ervaren 3. schijnen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lijken , lijkene , werkwoord , lijkent, leek, geleeke , [O] lijken Die portrette lijkene goed
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lijken , lekkès , lèìjkes, lekt ès , 1. gelijk; 2. zoals
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
lijken , lekt ôp , gelijk
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
lijken , lieken , (werkwoord) , lik/liekt, leek, eleken , lijken. Dät lik mi’j niks. Dät liekt närgens nao.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
lijken , lèijke , lèkt , lijken, gelijken
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lijken , liekenen , lijken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
lijken , lieke , liektj, leek, geleke , lijken , Die twieë lieke op ein.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lijken , lijke , ’t lijkent wel, ’t lijkt wel
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
lijken , lèèke , lèèkene , sterk werkwoord , lèèke - lêek - geleeke , lijken; — in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij lèkt; – Dirk Boutkan:  (blz. 40) verl. tijd lêek, maar: likte gij?; Daamen, Handschrift 1916 - gezegd van de zoon: Dè lèkt naa nèt nen ólliefaant. - Dat lijkt nou net een olifant. Cees Robben – ’t Lekt hil wè... Mar ’t is novvenaant niks.. (19620316) [over een modern schilderij]; Cees Robben – Wè lekt jou, Drikka? (19801031); Cees Robben – [over een vrouw:] Ze lekt net de ster van betteljem.. Jè, alleenig blinkt ze nie... schèène doese wel.. (19800105); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  van vurren óp zen vadder lèèke èn van aachtern óp hil zen femielie; Merkwaardige derde persoon enkelvoud; Dètter veul sorte meense zèn/ lèèkent wèl klaore taol/ Mar as ge op et hèùske zit/ ruukte allemòl iggaol. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin verschil); WTT-2012: Mogelijk komt deze vervoeging uitsluitend voor bij onderwerpen 'dat' en 'het', niet bij 'hij' of 'zij'.; lèèkene; lijken; WNT IV:1192 'gelijkenen' - onz. en bedr. zw.ww, bijna uitsluitend gebruikt in de onbepaalde wijs, in den tegenw. tijd en de beide deelwoorden. Cees Robben – Dan lèèkenet veul meer... (19651203); Cees Robben – lèèkent wel... (19681004); Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – 't lijkent wel ...; R.J. 'deh 't ie sprekend lèkend is deh zeej iederëen'; WBD III.4.4:301 'lijkenen' = gelijken; Hees lijkenen (= bevallen) (V:17); Jan Naaijkens - Dè's Biks – 't lèèkene wel Watt èn Half Watt; lêek; verleden tijd van het werkwoord lèèke, lijken; lèkt; lijkt; 2e+ 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'lèèke', met vocaalkrimping; Cees Robben: dè lèkt me tòch zó fèèn; hij lèkt wèl bevroore; Cees Robben: ze lékt nèt de stèr van Bètteljèm: Henk van Rijen - dè lèkt nèt nen olliefaant
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
lijken , lie~ke , laek – gelaeke , lijken
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut