elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: liggen 

liggen , leget , ligt het. , Daar leget
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
liggen , liggen , (sterk werkwoord) , lag, èlègen , liggen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
liggen , liggen , (sterk werkwoord) , lag, elègen , liggen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
liggen , liggen , voor: ziek te bed liggen; as ik dʼr lig (ook = in ʼt kraambed lig) den bemui ik mie nijt mit de hoesholʼn, zegt de huisvrouw.
in: dei boer het ʼt hooi (of: ʼt heu) dʼr al liggen = zijn gras is reeds gemaaid. Ter onderscheiding van: stait nog op wōrtel (of: wortel) = is nog niet gemaaid.
liggen goan in: de wind gait liggen (of: leggen) = de wind, of: de storm bedaart, in ʼt Hoogduitsche legt sich. – Ook = een beetje gaan slapen.
liggen loaten in: ʼt land mit kloaver liggen loaten = land waarop men des zomers witte klaver heeft gezaaid niet omploegen in den herfst maar laten staan tot het volgende jaar of nog een jaar langer.
laait (Vredewold) = ligt.
ligtʼe = ligt hij; ook Mecklenburgsch Zie: e 3.
laggen = lagen, van: liggen (wat algemeen is), en in de Ommelanden ook voor: legden, van: leggen; mien heunder laggen goud.
legen (= gelegen, verleden deelwoord van: liggen), voor: liggen: ik heb (of: har) wat legen te sloapen = ik heb een poosje liggen slapen. (Vgl. ik heb loopen te zuiken, hij har stoan te vluiken; zeten te trillen, enz.)
te liggen komen = het bed moeten houden of te bed gaan ten gevolge van ziekte of van eene bevalling. Hamburgsch enz.: se komt to liggen, nl. in ’t kraambed.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
liggen , liggen , (sterk werkwoord) , zie leggen, en vgl. de samenst. inliggen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
liggen , leggen , (sterk werkwoord, transitief) , Evenals elders in de Holl. spreektaal kent men geen verschil tussen leggen en liggen. De gemeenschappelijke vervoeging is Tegenw. tijd, ik leg, je legge (en leg-je), hij leit, we legge, jollie legge, ze (zollie) legge. Verl. tijd, ik lag, je lagge, hij lag, we, jollie, ze lagge. Gebiedende wijs leg. Verl. deelw. ’elege. Onbep. wijs legge. || Daar leg (lig) ik op de grond. Je lagge nag (nog) te bed, toe ik bij je kwam. – Vgl. oplegger, uitlegger.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
liggen , leggen* , ergens met leggen = zich (ongaarne) met iets bezighouden: doar ken ’k nou nijt met leggen = daartoe heb ik thans geen tijd of lust; bij v. Dale: hij ligt altijd te zaniken; elders in de spreektaal: daar kan ik niet mee staan, of zitten.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
liggen , liggen goan* , (bldz. 539) ook bij v. Dale in voce “liggen” en in ’t Hoogduitsch sich legen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
liggen  , ligge , lig, lees, leet, loog, gelag of gelaege. , liggen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
liggen , liggen , lag, eliäägen, ik ligge, dů ligst, hei lig, wi, i, zei lingt , liggen. Het lig mi bie at …: ik meen te weten, dat… Het lig der dikke op.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
liggen , lig’ng , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: ligge, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: l , liggen. Laand loatn lig’ng, grond niet weer inpachten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
liggen , ligge , daor kan ’t nie án ligge dat kan niet de orzaak zijn; Hej hét veul lând ligge in de Kêmp Hij heeft veel grond in de Kemp; Méster, héj lit wér te kliêre! Meester, hij is weer aan het pesten; Wa ligde toch wer te liêge! Wat zit j
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
liggen , leit , ligt. Dat leit er maar an.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
liggen , lègge , werkwoord , 1. Liggen. | Weer moete die lepels en vurke lègge? 2. Leggen. | Je moete ze in de laad lègge. 3. Op knieën liggen. | Gaan jij deer maar lègge te rôden. Zegswijze ’t loit er niet bai, er is geen haast bij. – Loit dat er bai?, is dat direct nodig, moet dat nu perse?
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
liggen , ligge , werkwoord , liggen. Wordt dikwijls gebruikt in een andere betekenis. Lig nie te kliere. Hij hè daor veul grònd ligge.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
liggen , ling , lag, elèèng , liggen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
liggen , liggen , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. liggen Laot mar liggen, ik pakke het zölf wel op (Eli), Hie kreeg de schaop drie nachten op zien akker te liggen overnachten voor de mest (Sle), Dat laand ligt der mooi bij mooi om te zien (Odo), Ze hebt het dek van de brogge liggen eraf liggen (Mep), Die mot nog een hiel tied liggen het bed houden (Wijs), Hij komp wat an ’t liggen wordt bedlegerig (Dwi), Die lat het der niet gauw bij liggen geeft het niet gauw op (Hgv), Daor lig mij niks an gelègen dat interesseert me niet (Rui) 2. vertoeven, verblijven Een keer kan wel mar ie keunt der altied nich liggen (Bov), Det kiend lig altied bij de buren (Bro) 3. doende zijn Die man lig de heeile tied maor wat an te knooien (Gas), Hie lig aaid an de weg is altijd onderweg (Sle), Lig toch niet zo te zeuren! (Hol) 5. hoog zitten, niet lekker zitten e.d. Dat speult hum aordig deur de kop, det lig hum hoge (Pes), Jan haar ruzie had met de vrouw en dat lag ’m niet lekker (Hijk) 6. grenzen aan Zien land lig an de grenze (Bco), Zie ligt met laand an oes langs (Hijk), Wij ligt met het land an mekaar (Wei) 7. te wijten zijn aan Het lig an de moter, de accu is wal goud (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
liggen , liggen , liggen. (lig, li, lag, gelegen) waor li da ding nou wir?, waar ligt dat ding nu weer?
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
liggen , lègen , leggen, liggen , leg, lègen, lègen, elèègd , liggen (Kampen). Ook: leggen (Kampen), liggen (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
liggen , liggen , lègen, leggen , lig (leg: Kampen), lag, lagen, elegen , (Kampereiland, Kamperveen), liggen. Ook: lègen (Kampen), leggen (Kampen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
liggen , liggn , ik ligge / lage; iej lik / laagn; hie lig / lag; wie lik / laagn; ik heb elèègn , liggen. Ieluu lik mâr in de zunne, en ik mâr wârkn. Hoe stiller aj lik, hoe minder piene.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
liggen , ligge , liggen, zijn , De kénder van hiernéffe ligge gereegeld hier, t’is hier nèt de zuuten inval. De kinderen van hierlangs zijn regelmatig hier, het is hier net de zoeten inval.
Héij li hiil gemak in z'n nuuw bèd én slaope dét'tie duu, tuuw sméérges toew. Hij ligt heel makkelijk in zijn nieuwe bed en slapen dat hij doet, tot 's morgens toe.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
liggen , liggen , werkwoord , 1. liggen 2. ziek zijn en daarbij het bed houden 3. begraven zijn 4. zich bevinden, gelegen zijn, zich ophouden op een bep. plaats, en evt.: zich in een bep. toestand bevinden 5. bij iemand op visite zijn, over de vloer zijn 6. niet gebruiken, niet ten uitvoer brengen, niet benutten 7. in: liggen gaon rustig worden (van de wind) 8. verblijven 9. te wijten zijn aan, in liggen an 10. een bep. gevoel geven wanneer men ligt, bijv. Dat bedde ligt noflik 11. belast zijn met een contractuele verplichting e.d. 12. bezig zijn, aanhoudend iets doen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
liggen , , (ligt)
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
liggen , ligge , ik lig, lig ik; gèij ligt, , liggen , Wa li, li. Wat ligt, ligt. Gebruikt bij het kaarten.; Littie wir te verveele? Ligt hij weer te vervelen?; Zèij lâge nâkend óp ’t strand. Zij lagen naakt op het strand.; Li toch nie zoo te snùrke. Lig toch niet zo te snurken.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
liggen , liggen , vlak liggen mit iets, zie vlak; nie veul achter laoten liggen, zie achter.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
liggen , ligke , liktj, laag/loeag, gelaege , liggen , De ruzing haet zich gelag(d). Det liktj ’m zwaor oppe maag. Ein club kan oppe vot ligke: een club kan bijna ter ziele zijn. Emes links laote ligke. Gank neet ligke, haod dich oppe bein: gezegd tegen iemand die de moed verloren heeft. Hae kan niks laote ligke es heit iezer en muuelestein: hij is een dief. ‘Kan ich neet’ liktj op ’t kirkhof en ‘wil ich neet’ liktj t’r naeve. Oette slaag ligke: uit de richting liggen. Vuuer kepot ligke. Waat liks se toch te zanike. Wie m’n zich ’t bèd maaktj, kumtj m’n te ligke: men kan zijn leven goed of slecht maken. Zich ligke te vervaele: zich aan het vervelen zijn. Zich t’r niks aan gelaege laote ligke. Zie ligke ónger ein dieëke: het zijn dikke vrienden.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
liggen , ligge , sterk werkwoord , ligge - laag - geleege , liggen; ziek of bedlegerig zijn; in tegenwoordige tijd vocaalrekking: hij leej; Onzen oopaa leej al virtien daog. - Opa is al veertien dagen ziek. Cees Robben: Waor wilde ligge? Lòt den hòf tòch ligge, Jan; DANB ónder diejen èèk ligge veul èèkels; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  ge hèt venaacht zeeker nie drêûg geleege (Daamen, Handschrift 1916) - gezegd tegen iemand die opvallend vroeg uit de veren is. Frans Verbunt:  niks laote ligge as meulestëene èn gloejend èèzer; Jan Naaijkens - Dè's Biks – ligge ww - liggen; wordt dikwijls gebruikt in een andere betekenis.; laag; 1. lag = verleden tijd van 'ligge'; - Reglementaire verleden tijd met vocaalrekking; Et laag ernèffe - het lag ernaast; Dirk Boutkan:(blz. 40) Er treedt geen vocaalkrimping op: laagde (lag je); Dialectenquête 1876 - ze laage op den grond - zij lagen op den grond; WvM 'ghay laagt in mun arremen'; Antw. LAAG - 2e hoofdvorm van 'liggen'; 2. gebiedende wijs van 'laache' = lachen; Dirk Boutkan:(blz. 66) imperatief [van lachen]: laagt/ laag; leeget; samentrekking van ligt het; legt het (met ge/gij/gullie, hij/zij/et als onderwerp); - Daor leeget; - Hij leeget ernèffe. - 3e pers.enk. 'leej' + et (uitsl. vn, onderw.); Het fonetisch hiaat dat ontstond tussen 'lee(j)' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g'. (Zie Schuurmans: Enclit. pron., blz. 22 ); J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LEEGET voor 'leet het', ligt het. Waar leget? Daar leget. Z.a. Antw. LEGET (in 't Z. ook lèget) - samentrekking van 'leet' en 'het', 1) voor ligt het en 2) voor legt het; leej; ligt, legt; 1 - tegenwoordige tijd van ‘ligge’; ligt; Cees Robben – Waor leej m’n schaors, troeleke..? (19580118); Cees Robben – Aon de raand van de stad/ Leej unne zaanderige pad (19580222); Cees Robben – D’n ekker-gods die leej zô schôôn vol blommen... (19571102); Cees Robben – dan leej tenminste Pius goed... [in zijn graf] (19600916); Cees Robben – Wè leej-leej... (19620824); 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'ligge', met vocaalrekking; Ze leej int gaasthèùs. - Ze ligt in het ziekenhuis. DANB de 'snuw' leej dik; WBD (de ketting/inslag) wèrkt/ leej boove (II:1047) - bovenwerken; Henk van Rijen - dè leet eraon - dat ligt eraan; Henk van Rijen - leeter ginne pulling op et schoor? - ligt er geen peluw op de vliering?; Henk van Rijen - onzen oopaa leej al virtien daog - opa is al veertien dagen ziek; 2 – tegenwoordige of verleden tijd van ‘lègge’; legt of legde; Cees Robben – Tiest Vermeeren haoj ’n kiepke... / En die preutse pik-madam/ Leej ’n aaike... en ’t woog zuiver.../ Honderd-vijf-en-sistig gram...  (19560428); Henk van Rijen - as en kiep leej, stao se - als een kip legt, staat ze; Henk van Rijen - hij leej et in de laoj - hij legde (?) het in de la; CiT Azzen kiep lee, staose (44); 3 - verleden tijd van 'lije'; Geen bewijsplaats aangetroffen; leeter; samentrekking van ligt het er; Cees Robben – Van d’n aandere kaant leeter mar te ligge (19870619); leetie; ligt hij; Leetie wir int gaasthèùs? Leetie naa al te bèd?; 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'ligge', met vocaalrekking en samengesmolten enclitisch pronomen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
liggen , ligge , laog – gelaege , liggen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut