elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: liefhebben 

liefhebben , liefhebben , men zegt: onze lieve Heer hef hem zoo liefehad, n.l. dat Hij hem tot zich nam.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
liefhebben , liefhebben , leefhebben , Onze l(i)eeve Heer hef üm zoo l(i)eef ehad, hij is gestorven.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
liefhebben  , leef hebbe , lief hebben.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
liefhebben , liefhebben , sterk werkwoord, overgankelijk , liefhebben, beminnen Mekaor leifhebben deur dik en dun, dat steit in de Biebel (Vri), Zien moor hef ’m niet lief gezegd als een moederdier haar jong niet accepteert (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut