elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lezen 

lezen , leesde , las. Dit imperfectum wordt alleen door de zeer onbeschaafden gebruikt. [Aanvulling J. van Lennep: voor las is ook te Amsterdam onder min beschaafden niet zeldzaam.]
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
lezen , leus , las (onvolm. verl. tijd lezen) verg. zeug (zag).
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
lezen , leesde , leus , las, Gron. leesde.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
lezen , lèzen , (sterk werkwoord) , lezen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lezen , lezen , voor: woorden, zinnen; stait lezen op = er staat iets op te lezen; stait ook lezen in, bv. in een prentenboek, dus = de bijschriften of de tekst er van; lezen en schrieven kennen = bekwaam zijn, geschikt zijn tot iets, bv. van schrandere dieren. Ook van levenlooze dingen, bv. van werktuigen, waarmede men goed overweg kan, van kleeren die er tegen kunnen, van meubelen die bijna onverslijtbaar zijn, enz. Friesch lêzen = alles wat gelezen kan worden. Vervoeging: leesde; leesd, of: lezen.
leesde voor: las (van: lezen); ook Drentsch. Evenwel hoort men ook: doe laste, wie lassen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lezen , lezen , (sterk werkwoord) , Zie de wdbb. – Soms in de zin van bidden. || We moeten nag lezen. Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 1, 283) Ook in de 17de e.; vgl. OUDEMANS, Wdb. op Bredero 208. In het Mnl. is lesen in deze betekenis zeer gewoon. Ook voor: bijbel lezen. || Er is bij zen begrafenis niet ’elezen, loof ik. – Vgl. de samenst. verlezen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lezen  , laeze , laes, luës, luës, loes, gelaeze , lezen. Slaai laeze, salade ontbladeren.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lezen , liääzen , löus, eliääzen, ik liääze, dů lest, hei les, wi liääst; ik löuze, dů löust, hei löus, wi, i, zei löu , lezen. zie: leeren
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
lezen , lezen , Gebruiken de boeren voor bidden.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
lezen , leazn , werkwoord, sterk , T2e persoon: least, T3e persoon: les, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: leus, , lezen.
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lezen , lezen , zelfstandig naamwoord ’t , Dat wat te lezen staat, (op) schrift. | Hai kreeg voor z’n annemen ’n koppie mit lezen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lezen , laeze , oëtsortere (b.v. boëne).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
lezen , lééze , lezen; de gezit lééze “de krant lezen”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
lezen , lezen , lèzen , het , Ook lèzen (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. het lezen Hej wel aordigheid an het lèzen (Hol) 2. schrift, lettergrootte Wat is dat fien lezen, dat kan ik nich zein zunder brille (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lezen , lezen , lèzen , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , Ook lèzen (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. lezen Ik mag leeiver lezen as tillevisiekieken (Eex), Ik heb gien tied um veule te lèzen, maar de Möppeler kraante van A tot Z (Mep), Der is iene die lezen moet bij een concours oplezen (Klv) 2. verzamelen (Zuidwest-Drenthe, veroud.) As kiender mussen wij de aoren lèzen (Noo), We moet nog pootbonen lezen (Wap)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lezen , lezen , lezen. (lees, lest, leesde, gelezen).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lezen , lezen , les / leest (Kampereiland, Kamperveen), las, lazen , lezen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lezen , lèèzn , ik lèèze / lèèzn (laze); iej lèès / lèèzn (laazn); hie les / lèèzn (las); wie lèès / lèèzn (laazn) , lezen. Heb iej dat buukien elèèzn? Wie laazn altied disse krante.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
lezen , lèèze , lezen , Lèèze is goed vur de manne én ze kunne lôtter ooveral oover meejpraote. Lezen is goed voor de kinderen en ze kunnen later overal over meepraten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lezen , lezen , werkwoord , 1. lezen 2. bijeenzamelen, met name van aren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lezen , leeze , werkwoord , lees, las, geleze , lezen We lazzen ’t in de krant We lazen het in de krant We lazze vooral detectieves van Dick Bos We lazen vooral beeldromans van Dick Bos
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lezen , lèzen , (werkwoord) , les/lèèst, las/lèzen, , lezen. Uitdr.: Andermans boeken bint duuster te lèzen ‘men moet niet te snel oordelen’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
lezen , leeze , sorteren, werk dat meestal op winteravonden met de hele familie werd gedaan, op de tafel werd een zak bonen leeg geschud en de hele familie las de bon
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
lezen , laezen , 1. lezen; 2. zoeken, rapen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
lezen , laeze , ich laes, doe leus, hae leustj, zie laeze, ich , lezen , Smörges laes ich ieës(t) de gezèt.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lezen , leeze , sterk werkwoord , leeze - laas - geleeze , lezen; Geen vocaalkrimping: hij leest; Cees Robben: Hèdde dè geleeze?; Ik hèb vur ónzen Pietôom gin mis laote leeze; WBD leeze (II:995) - een kruis inlezen; ook: gelès erin doen, fenès erin doen, de flès erin doen, flès indoen, in de flès doen; WBD (III.3.3:107) leeze = (de mis) doen, ook: opdraoge; A.P. de Bont – le.z?(n), st. (lao's) en zw. (leesde) - lezen; Antw. LEZEN - leesde - gelezen; laas; las; verleden tijd van 'leeze'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
lezen , laeze , laos – gelaeze , lezen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut