elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: leunstoel

leunstoel , leenstoel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Leuningstoel, armstoel. Thans verouderd. Vgl. leen I. || Ootje zat altoos in ’en leenstoel. Aan ’t einde van ’t Vlek waren leen-stoelen gestelt, en tot daar gekomen zijnde, hield men stal, en rusten wat, SOETEBOOM, S. Arc.448. – het woord komt ook in de Middeleeuwen in N.-Holl. voor. || Vier kreckstoelen (krukjes), een groete leenstoel, VI sitkussenen, Hs. v. Egmond D, f° 17 v° (a° 1485), KIL. vermeldt leenestoel, len-stoel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
leunstoel , löönstool , lööningstool , leunstoel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
leunstoel , läönstool , (mannelijk) , leunstoel, zie ook likstool
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut