elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lekken 

lekken , leken , lekken. Ook Weiland geeft dezen vorm op.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
lekken , lekken , (zwak werkwoord) , lekken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lekken  , leekke , lekken. Leekke as ein grouw mand, lekken als een mand.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lekken , lekng , werkwoord, zwak , lekken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lekken , lekke , leken ’t dak lékt det ’t verrékt! Het dak lekt heel erg.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
lekken , léjke , lekken.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
lekken , lekken , zwak werkwoord, onovergankelijk , lekken As het raaitdak te dun wordt, begunt het aordig te lekken (Eev) *Kraantie, kraantie lek, lek, lek / Jenever is mien trek (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lekken , lijken , lekken. d’n emmer lijkt, ‘t zèktr van alle kanten uit, de emmer lekt, het loopt er van alle kanten uit.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lekken , lekken , werkwoord , lekken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lekken , lêêke , werkwoord , lêêk, lêêkende, gelêêkend , lekken De geut lêêkt De goot lekt ’t Lêêkende hier altijd Het lekte hier altijd M’n fietsband heb gelêêkend Mijn fietsband heeft gelekt
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lekken , lèìjke , lekken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
lekken , likke , likt , lekken , terwel tie aon zunnen ijsco stond te lekke, likte’n ’t in zunne nek = terwijl hij aan z’n ijsje stond te likken, drupte het in z’n nek-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
lekken , laike , leejke , werkwoord , lekken (Helmond en Peelland); leejke; lekken (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
lekken , lekke , lektj, lekdje, gelektj , likken , Dao kóns se dich (de) vinger en doem bie aaflekke. De kinjer lekke aan eine lolly. De pan oetlekke. Geliek vieë lektj zich: soort zoekt soort. Lek mich de zök/Lek mich de tes/Lek mich e-maas: je kunt me nog meer vertellen.: je kunt me nog meer vertellen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lekken , lieëke , lieëktj, lieëkdje, gelieëktj , lekken , De guuet lieëktj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lekken , lèkke , zwak werkwoord , lekken; Dan zit ie frèèd op de tribune/ Z'n lekkend nuske af te buunen. (Gieleke – wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) – ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut