elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lek 

lek , lek , (onzijdig, bijvoeglijk naamwoord) , lek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lek , lek , lik , (bijvoeglijk naamwoord) , Daarnaast soms lik. Zie de wdbb. || De oliebak is lik. – Vgl. een zegsw. op kooi.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lek  , leek , lek
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lek , lek , zelfstandig naamwoord ’t , Lek, lekkage, in de zegswijze ’t lek vonden hewwe, weten waar de schoen wringt, wat het probleem is. – ’t Lek hewwe. 1. Geregeld moeten urineren. 2. Ongesteld zijn. 3. Uitgelaten, dronken zijn. Zegswijze elk het z’n lek en z’n gebrek, een ieder heeft zijn streken en zijn gebreken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lek , lek , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , lek Ik geleuf dat ik de klompen lek hebbe (Klv), De emmer is net zo lek as een zei (Sle), ..as een maandtien (Mep), ...as een teems (And), ...as een kaarn (Man), Hie hef niks in te brengen as lège briefies en lekke ummers niets (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lek , lek , het , lekken , lek Ik kun het lek in de baand nich vinden (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lek , lek , in *Elk mens hef zien lek en gebrek aan ieder mens mankeert wel iets (And)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lek , lek , zelfstandig naamwoord , lek
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lek , lek , bijvoeglijk naamwoord , lek. Zo lek as een skepelsmande ‘zo lek als een zeef’, (van iemand): ‘hij kan geen geheim bewaren’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lek , lek , bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord , lek lek wezen, ook: neusdrop hebbend of incontinent zijnd, et; lek, lekkende plaats
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lek , lek , uitdrukking , We gaon naer ’t lek luistere Deze uitdrukking werd gebezigd door schippers bij het naar bed gaan
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lek , lèk , bijvoeglijk naamwoord , lek; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  zó lèk as en zeef nèffe de gaote (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1969) - ironisch voor 'lek'; hij ha ne lèkke tuut - hij had een lekke band; Bijnamenboek Karel de Beer - Toon lèk = Toon Seebregts (blz. 71)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut