elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: leem 

leem , leem , (mannelijk) , leem.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
leem , leem , (onzijdig) , leem.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
leem , leem , liem , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Daarnaast liem. Zie de wdbb. || Ze hebben ’et dak mit liem bestreken. – De vorm liem is ook elders in N.-Holl. gewoon; vgl. ook Mnl. Wdb. IV, 260. Evenzo in het Stad-Fri.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
leem  , leim , leem.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
leem , leem , zelfstandig naamwoord, mannelijk , leem
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
leem , laim , leem
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
leem , lém , taaie, kneedbare grondsoort die verwerkt wordt in de steen-, pannen- of pottenfabriek.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
leem , liem , leem, leeim, leim, laim , het, de , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook leem (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), leeim (Midden-Drenthe), leim (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), laim (Kop van Drenthe) = leem De leeim zit hier vort under de bouwvoor, het waoter wil niet best vort (Eex), Hij het een vouer leim haold (Row), Liem graoven (Gro), Leim meuken wie een dele van (Bov), zie ook klei
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leem , leem , leem
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
leem , liem , liem-, leem, leem- , zelfstandig naamwoord , de, et (met lang ie); leem(-)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
leem , lieme , zelfstandig naamwoord , [O] scheven (houtachtige stukjes die uit het vlas worden gezwingeld) Om de hamme lekker te rôôke mojje ze brenge naer meñse die nog lieme stooke Om de hammen lekker te roken moet je ze brengen bij mensen die nog scheven stoken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
leem , liëëm , leem
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
leem , leim , (mannelijk) , leem, klei
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
leem , lêem , zelfstandig naamwoord , leem; WBD III.4.4:156 'leem' = zavel; 170 'leemgrond' = zware grond; A.P. de Bont – zelfstandig naamwoord o., - leem; Etym. Got. laima, D. Leim, N. leem, T. lêem
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
leem , leim , leem
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut