elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: leed 

leed , leed , moeite. , Dat zal leed kosten. Gij zult leed hebben, om dat te doen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
leed , leed , (onzijdig) , leed.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
leed , lijd , leed; ’t is hōm lijd dat ’t heur goud gait. Spreekwoord: ’t Is de ijne schooier lijd dat de ander veur de deur stait = elk is dief in zijn eigen nering. Wordt meestal gezegd van concurrenten die zaken in ’t kleine doen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
leed , lei , leed , lei (Stad-Groningsch) = doodbericht, begrafenis en aanzeggeing bij de huizen. Men spreekt van: groote lei, wanneer het overlijden aan alle ingezetenen wordt bekend gemaakt. Volgens Hfft. beteekent leie in Noord-Brabant niet alleen eene watering, maar ook: een weg, een gaan of gang ergens heen, en zoo vervolgens: eene reis. Alzoo zou lei zooveel zijn als: uitvaart, in fig.beteekenis. In Friesland leed = rouw; de leed aanzeggen. Volgens Swaagman is dit lei of lee het oude Groningsche leeing. = het overlijden, van: liden = gaan; overliden = overgaan. In de Ordonnantie op de begrafeniskosten van 1687 (uitgave van 1723) wordt melding gemaakt van het schrijven van de “Lee-cedullen” en het aanzeggen van de “Lee ofte Overlijden.” (Men heeft hier dus niet aan: leed = smart, te denken, maar alleen aan eene verbasterde uitspraak van lee. Vgl. leianzegger en zie: overlijden.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
leed , leed , (bijvoeglijk naamwoord (?)) , In de uitdr. leed horen aan (de Wormer). Ik geloof, dat de stadslui erg veul leed horen an de boeren (dat ze veel lelijks horen in hun uitspraak, dat hun die onaangenaam in de oren klinkt). – Vgl. het bijvoeglijk naamwoord leed in de zin van onlief, onaangenaam, gezegd van alles wat iemand onaangenaam aandoet, een onaangename stemming, weerzin of afkeer bij hem wekt; zie Mnl. Wdb. IV, 291 vlgg.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
leed , lei* , 2, ook de aanzegging langs de huizen, vgl. Swaagman in de “Annales Acad. Gron.” van 1824/25, in voce; heij’ de lei kregen? = is het bij u aangezegd?, wie hebb’n de lei had van … = de dood van … is bij ons aangezegd; in eene Ordonnantie van 1687 wordt melding gemaakt van “Lee-cedullen” en van het aanzeggen van de “Lee ofte Overlijden.” Volgens de verklaring van ’t woord lei 2, op blz. 539. zou dus de verwantschap tusschen lei -anzegger * en ’t meer beschaafde leed-aanzegger, beide = aanspreker, bidder, alleen schijnbaar zijn. ’t Laatste woord zal eene verbastering van ’t voorgaande zijn, doordat men, het verouderde lei niet meer begrijpende, aan “leed” (= smart) ging denken. Bij v. Dale “de leed aanzeggen” en “leedbrief” = rouwbrief (beide gewestelijk), Men denke ook aan: over­lijden, afgeleid van ’t Middelnederlandsch “leden”, dat voorbijgaan beteekent en nog voorkomt in: geleden en: verleden,
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
leed , lee , onaangenaam, afschrikkend, terugstuitend. Een leeje jonge. ’En lee gezich (aangezicht, gelaat). ’En lee werk. Da fond ie en erg lee werk (varkenshoeden), Verl. Z. - Gerhardt. Verg. v. Schothorst 165, Wdb. VIII, 1232 - 1234: Leed (I).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
leed  , leid , leed.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
leed , leed , zelfstandig naamwoord, onzijdig , verdriet
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
leed , leed , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , verdrietig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
leed , leid , zelfstandig naamwoord ’t , Leed. Zegswijze teugen z’n leid kenne, er tegen kunnen, vooral gezegd met betrekking tot kleding. | Die jas ken teugen z’n leid.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
leed , lee , leed, lee-achtig , bijvoeglijk naam en bijwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), lee-achtig (LPW: Lop) 1. wreed, gemeen; ook: laf, stiekem Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 84). Het bijvoeglijk naamwoord leed komt in het Middelnederlands voor in de betekenis ‘onaangenaam, hatelijk, afschuwelijk’. Het modern-Nederlandse lelijk is hiervan afgeleid (Stapelkamp 1945, p. 51). Het door elkaar gebruiken van lee en leed (de Vechtstreek heeft alleen lee ) duidt er ook op dat het bij beide vormen om een en hetzelfde adjectief gaat. 2. (bn) gierig (KRS: Lang)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
leed , leed , leid, laid , het , Ook leid (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe), laid (Veenkoloniën) = 1. leed Er is veule leed op de wèreld (Wap), Dat hef hum veul leed daon (Bov), ...bezörgd (Wes), Het dut mie leid dat joe dat overkommen is (Erf), Wij zult maor rèken dat het leed nou eleden is dat de problemen nu voorbij zijn (Hgv), Lief en leed met mekaor dielen (Bui), Die treft een zwaor leed (Stu) 2. rouw (Zuidoost-Drenthe) Ze hebt mij het leed anzegd de rouw aangezegd (Sle), zie ook liek II *De ene schooier is het tot leed dat de ander het goed geet (And); Het eigen leed is altied het argst (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leed , leedste , (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Ene het leedste toezeggen kwetsen, lelijke dingen zeggen tegen iemand (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leed , lie , bijvoeglijk naamwoord , (Pdh, Scho) = ernstig, erg Hij hef niet völ meer te zeggen, hie is er lie an toe het is erg met hem gesteld (Scho)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leed , lééd , leed. mè leed en èrremoei, met veel pijn en moeite.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
leed , leed , lee , zelfstandig naamwoord , de; rouw; uitnodiging tot bijwoning van een begrafenis
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
leed , leed , zelfstandig naamwoord , et 1. leed, verdriet 2. in lief en leed lief en leed
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
leed , leed , bijvoeglijk naamwoord , in mit lede ogen met een onaangenaam gevoel dat men er wel iets aan zou willen doen maar dat niet kan; verder in Et dot mi’j leed ’t doet me verdriet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
leed , lêêd , zelfstandig naamwoord , lêêdtjie , leed ’t Lêêd is nie t’ overzien Het leed is niet te overzien
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
leed , liejed , leed
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
leed , lee , leed , (zelfstandig naamwoord) , 1. leed; 2. afgunst; 3. spijt (Oldebroek, Wezep); 3. laan (Putten, < allee).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
leed , lee , (bijvoeglijk naamwoord) , 1. boos; 2. lastig, ontevreden; 3. vervelend, onaangenaam; 4. verdrietig, spijtig; 5. vals, kwaadaardig, agressief.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
leed , leid , (onzijdig) , verdriet, leed , Det duit mich leid. Leef en leid deile. ’t Meiste leid zitj ónger ’t kleid: veel leed wordt verzwegen. Noe is ’t leid geleje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
leed , lêed , zelfstandig naamwoord , leed; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  meej lêed èn vrêet gegaon (Kn'50) - (WS:) hoewel sjiek, toch gebukt onder (financiële) zorgen, of lichamelijk lijdend (?); Etym. Got. laipa, D. Leid, N. leed, T. lêed
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
leed , leid , leed; smart; verdriet
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut