elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lawaai 

lawaai , lawaai , (vrouwelijk) , oorveeg, opstopper is niet algemeen in gebruik.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
lawaai , lawaai , (onzijdig zonder meervoud) , beweging, drukte. Wat maakt hij een lawaai. Het is een regte lawaaimaker, het is jodenlawaai, harde wind zonder regen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
lawaai , lewai , lawaai, geraas, gedruisch, rumoer; ʼt lewai opsteken, in eig. zin zooveel als: een voorwerp, bv. een korf aan eenʼ langen staak in de hoogte hijschen ten teeken dat het schafttijd of gedaan dagwerk is. Die inrichting dient als optische telegraaf bij afgelegen boerderijen, waar ver van huis veldarbeid wordt verricht. Friesch lavei; Kil. laveien = schoften; Engelsch leave, IJslandsch leyfi, Angel-Saksisch lewe; Oostfriesch lawei = vieravond; ʼt lawei uppstäken = het teeken geven om van een aangenomen werk uit te rusten. Weil.: In Vriesl. wordt het in de hoogte gestoken teeken om te schoften lavei genaamd. – Hiervan de fig. beteekenis: sein geven tot werkstaking onder poldergasten, en voor de werkstaking zelve, ook in Zuid-Holland en Oostfriesland. De naam zou overgenomen zijn van de Vlaamsche polderjongens, die ʼt Fransche levêe, als: lewei, uitspreken. – lewai schuppen, of: schōppen = leven maken; lewaimoaker = levenmaker, ook = twistzoeker. Noord-Brabant lawaitmaokers, lawaidschuppers = levenmakers; Zuid-Nederlandsch laweyt = geraas, gerucht. West-Vlaamsch lavei steken, lawai steken = teeken geven tot werkstaking; lewai = lawait, laweet = lawaai, geraas, gedruisch; laweiten = laweit maken. (v. Dale: “lawaai = geraas, geweld, rumoer. ʼt Woord is eigenlijk een tusschenwerpsel, aan het Hebreewsch ontleend.”)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lawaai  , leweit , lawaai.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lawaai , t lewaai , teken van oldert
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
lawaai , lawaai , lewaai , het , Ook lewaai (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = lawaai Wat een lewaai ik kan der niet bovenoet kommen (Eex), Hie hef aaid een boel lawaai (Sti), Het was lawaai um niks veel geschreeuw (Bov), Ze hadden een lawaai as een oordiel (Bal), ...as het laatste oordeil (Bco), ...as een heidens oordeel (Hgv), ...van je welste(r) (Nor), ...of de wereld verging (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lawaai , [= LAWEIT] , lawijt , lawaai, leven. makts nie zòn lawijt, maak eens niet zo’n lawaai.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lawaai , lewaai , lawaai , lawaai
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lawaai , lewaot , lawaai , Wa kunne ze óp 'n brûlleft toch 'n lewaot maoke meej dieje kaojharde muziek. Wat kunnen ze op een bruiloft toch een lawaai maken met die keiharde muziek.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lawaai , lewaai , lawaai , zelfstandig naamwoord , et; lawaai
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lawaai , lewaai , (zelfstandig naamwoord) , lawaai.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
lawaai , lewèijt , lewèèj , lawaai, drukte, hard pratende vrouw , Zónder unnen hoop lewèijt gigget tiggeworrig nie mèr. Zonder heel veel lawaai gaat het tegenwoordig niet meer. Vooral van muziek gezegd., Tis nen hoop lewèijt um niks. Het is een hoop drukte om niets.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lawaai , lewej , lewejt , (onzijdig) , lawaai, zie ook spektakel , Maak neet zoean lewej(t)!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lawaai , lewaaj , lawaaj , zelfstandig naamwoord , "lawaai; Cees Robben: 'lewaai en slameur'; Piet van Beers: OP DIEET; Men vrouw zeej ""Ak jouw liet betije; dan aate,wèl vier sneeje op. Lèt tòch 'n bietje op oe èège; ge hèt tòch al zonnen dikke kòp.""; Ik krèèg smèèrges naa nòg mar tweej sneekes. Êen, dun beleej meej dreuge ham. 't Aander moet ik mar besmèère; meej van dieje zuure Prèùmezjam. Smiddags krèèg ik aanderhalven èèrpel; meej unne flinke scheut lawaai. Den êenen dag 'n maoger lèpke. Den aanderen dag 'n harde aaj.; lawaaj; lawaai; in het Tilburgs vaker lewaaj; zie lewaaj, lawaaj en samenstellingen; zie lawèèt"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut