elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lauw 

lauw , [luid] , lauw , (bijvoeglijk naamwoord) , luid.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
lauw , lei , (Ommelanden) = lauw; leie wiend = zoele wind, ’t woater is lei in de slooden, zooveel als: warm op ’t gevoel; ’t is kompleet lei weer = ’t is niks kold. Drentsch, Friesch. Overijselsch lij, Oostfriesch lê, lau, lû = lauw, warm, noch koud noch heet. ‒ Volgens ten Doornkaat is en eene meer oorspronkelijk Friesche uitspraak, lau de Opper-Duitsche, van het Oud-Hoogduitsche laô, Middel-Hoogduitsch lâ, lâw, Nederduitsch lau, Middel-Nederduitsch lauw; Oud-Noorsch hlîj = warmte.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lauw , laau - flaau , (Hoogezand), alliteratie = langzaam en onverschillig; zij ’s altied gelieke laau en flaau (– lauw en flauw.).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lauw  , louw , lauw, ook niets. Veur louw, gratis, voor niets. Louw in de kiep, er is niets meer voorradig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lauw , laauw , 1. lauw. 2. weinig of niets
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
lauw , leêuw , bijvoeglijk naamwoord , Variant van lauw. | De soep is leêuw.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lauw , louw , half warm.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
lauw , lauw , laauw , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook laauw (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. lauw Lauwe koffie is niks an (Scho) 2. traag Hie is ok aaid even lauw (Sle), Doe niet zo lauw ongeïnteresseerd (Die), Een lauwe warker (Ruw) 3. (Zuidoost-Drents veengebied), in Een lauwe bocht een flauwe bocht (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lauw , loúw , lauw. wane louwe slappe loerie, wat een lauwe slappe koffie.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lauw , lauw , lauw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lauw , laow , lauw , És ge ziir voet hét, moet'ter nen tiid meej in laow sóddawôtter gôn zitte. Als je pijnlijke voeten hebt, moet je er een tijdje mee in lauw sodawater gaan zitten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lauw , lóúw , lauw
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
lauw , lèùw , lauw , Lèùw wátter. Lauw water.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lauw , law , lawwer, lawst , lauw , Emes de pis law make: iemand zolang treiteren dat hij/zij zich driftig maakt. Law waer. Votlaw: niet warm en niet koud.: niet warm en niet koud.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lauw , laaw , zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , M lauw; Henk van Rijen – sufferd, iemand die niet wijs is; WBD III.4.4:33 'lauw weer' = idem, ook 'voos weer', 'zacht, zoel'; WNT LAUW - In den zin van langzaam zou men lauw thans niet gebruiken.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut