elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lappen 

lappen , lappen , klaren, behendig verrichten. , Ik zal ’t wel lappen. Hij heeft dat gelapt, dat is klaar gespeeld.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
lappen , lappen , (transitief werkwoord) , ten uitvoer brengen. Hij zal dat niet lappen, d.i.: het zal hem niet gelukken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
lappen , [(gezegde) goed spreken] , lappen , in: hie kan wal van de lappen = hij kan zijn woord wel doen. Men zegt het ook van paarden die goed kunnen loopen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
lappen , [iets in orde brengen, herstellen] , lappen , (zwak werkwoord) , lappen, een lap opzetten, beter maken; van dage mot ’t üm lappen, van daag moet ge ’t in orde krijgen, van daag moet de zaak in orde gemaakt; van dage moj den zak lappen, van daag moet ge er voor boeten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lappen , lappen , (werkwoord) Bij een jongensspel, streekjen of meetjen (zie aldaar) beteekent het woord: nog meer centen dan het bepaalde getal te mogen werpen, om de vorige worpen te verbeteren; hiervan: verlappen; ’k heb al mien centen verlapt. Zie ook: oplappen, Oostfresch uplappen, alsmede: streekiebōssen. ‒ Wordt ook ironisch gebruikt in de beteekenis van: breken, bv.: glas- en aardewerk lappen; ook Oostfriesch.
werkwoord, onpersoonlijk gebruikt, in: zij sluigen (of: slougen) kander dat ’t lapte; zij smōkken kander dat’t lapt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lappen , lappen , (zwak werkwoord) , vgl. schoenlappertje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lappen , lappen* , (zelfstandig naamwoord) zie ook dak * en vgl. lap * en lappen * (werkwoord)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
lappen , lappĕn , term bij een spel, 19.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
lappen  , lappe , bijbetalen, ook samen bijleggen om te betalen. Et um lappe, iets klaar maken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lappen , lappen , zwak werkwoord , verstellen, bekeuren. Dät heb i em goud elapt: dat heb je goed gedaan. Eimaond der bie lappen: iemand bekeuren.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
lappen , lapm , werkwoord, zwak , 1 inzetten, bij kaartspel, 2 geld bij elkaar doen, om drank te kopen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lappen , lappe , bijlappen Béjlappe Gezamenlijk geld inleggen voor drank.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
lappen , lappe , leveren ’m ’n streek lappe Hem een streek leveren; klaarspelen ’t ’m lappe klaarkrijgen (klaarspelen); lap ’t ’m ok’s Probeer het ook eens klaar te krijgen, te presteren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
lappen , lappen , 1. lappen (verstellen). 2. zie flikken 4
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
lappen , lappen , variant van lapt, voltooid deelwoord van lappe. | Dat hei je ’m mooi lappen!
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lappen , lappe , werkwoord , bijzetten, haken. 1. Bij het kaartspel moet je soms bèlappe (bijzetten). 2. Wie hèmme pòtje gelapt? Wie heeft me een beentje gelicht? 3. Iemes er bè lappe is iemand verrassen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
lappen , lappe , óppe lappe goan, fleenk oêtgoan.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
lappen , lappen , lappen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
lappen , lappen , inzetten, botje bij botje leggen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
lappen , [iemand een ronde inhalen] , lappen , een ronde vóórkomen in een wedstrijd, b.v. bij schaatsen en wielrennen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
lappen , lappen , 1. repareren van een lekke fietsband door het plakken van een pleister op het lek. 2. ramen zemen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
lappen , lappen , lappen, elapt , 1. repareren; een baand lappen: band plakken; 2. lappen; * een gezicht van oale lappen: boos kijken; 3. inzetten bij spel; 4. ik bin niet goed op de lappen: ik voel me niet goed.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
lappen , lappen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. (op)lappen, plakken, herstellen Most mie de boksem nog even lappen (Vtm), Hinnerk is an het schoenen lappen (Sle), Wost mie de fietsband even lappen plakken (Bov), De beide enden van een draod an mekaar lappen (Exl), Hij kun der wel mooi wat bij an lappen aandikken (Koe), Zij hebt hum an de vrouw lapt geplakt (Pdh), Hij lapt het ene gat met het andere stopt (Bei) 2. klaarspelen Hoe hej ’m dat weer lapt (Zwin), As e het mor even lappen kan, dan zal e het zeker doen (Eex) 3. wagen, leveren, uithalen As doe dat lappen duurst, dan kom ik die nao (Ros), Dat meuj mij niet weer lappen, dan zweit er wat (Hol), Wel zul ’m dat lapt hebben! (Bor), Lap het niet! waag het niet (Nsch), Hij hef heur der inlapt te grazen genomen, flink laten verliezen (Klv), ...der bij elapt verraden (Mep), Ze hebt hum der goed an elapt hij was er vies bij (Hgv), 3. geld bijeenleggen, om samen iets te kopen Allemaol even een paor centen lappen en dan hew weer een liter jenever (Dro), Wij lappen mekaer (Dwi) 4. een uieraanzet vertonen (Zuidoost-Drents zandgebied) De vèers lapt al mooi (Sle) 5. verklappen (N:Zuidwest-Drenthe) Van lappen en teuten bint ze te hope (N) 6. klappen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Hij schreut [schepte op, zwetste] dat het lapte (Zdw) 7. knikkers of centen extra werpen om dichter bij de streep te komen dan de vorige speler (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij mug drei knikkers lappen (Hgv) 8. voor de paartijd een lap van ongeveer een vierkante voet achter op de wol van een eenjarige Drentse ooi naaien, die op die leeftijd nog als onvolgroeid wordt beschouwd (wh: Zuidoost-Drents zandgebied en Midden-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lappen , [geld bijeenbrengen] , lappen , geld bijeen leggen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lappen , lappen , werkwoord , 1. klaarspelen; 2. zemen; 3. geld bijeen brengen om iets te kopen; 4. Gunninks woordenlijst van 1908: een lap ergens op zetten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lappen , lappe , maken, verstellen , Ik hur’rew nog nie al zat'te in mun'ne zak klómpe te lappe. Ik hoor je nog niet al zat je in mijn broekzak klompen te maken. Ik ben stokdoof.
Voltooid deelwoord gelapt. Ik héb ne winkelhaok in munne ooverall, die zal gelapt moete worre. Ik heb een winkelhaak in mijn overall, die zal versteld moeten worden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lappen , lappen , werkwoord , 1. herstellen door lappen in of op iets te zetten, verstellen 2. over elkaar leggen van planken (bij potdekselen) 3. iets leveren, klaarspelen 4. van geld: bijeenleggen, bijeenbrengen, ook: lappen bij kaarten 5. toevoegen: aan een verhaal, een opsomming, aan de prijs die men betaalt 6. in bi’j mekeer lappen: een jongen en een meisje proberen samen te doen trouwen 7. in d’r bi’j lappen erbij lappen, vooral: verraden door aan te geven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lappen , lappe , werkwoord , lap, lapte, gelapt , geld bijeen leggen voor gezamenlijke aankoop D’r wier gelapt voor een fles brandewijn Er werd geld bijeen gelegd voor de gezamenlijke aankoop van een fles brandewijn
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lappen , lappe , geld bijeenleggen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
lappen , lappen , geld bij elkaar leggen om gezamenlijk iets te kopen
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
lappen , lappen , (werkwoord) , 1. stevig drinken; 2. een lap opzetten (ook: een band lappen); 3. klaarspelen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
lappen , [klaarspelen ] , lappe , laptj, lapdje, gelaptj , 1. lappen, klaarspelen 2. een streek leveren 3. verstellen 4. (bij)betalen , Det haet d’r ’m den toch mer gelaptj: dat heeft hij toch maar klaargespeeld.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lappen , lappe , zwak werkwoord , Frans Verbunt:  bijzetten, de inzet verhogen; WBD (III.3.2:22) lappe = extra geld in de pot doen; ook: bijlègge
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut