elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: land 

land , land , Zie schraa en schraai.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
land , land , land. lendeken, landje, [met spot van sommige gedeelten der provincie gezegd.] El-lendig, uitlandsch. Ellendige best, uitheemsch best; d. i. uitstekend best.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
land , land , (onzijdig) , landerijen, lande , stukken lands (mv. landerijen; landschap (mv. lande).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
land , zacht land , zavelige bodem, vooral ter onderscheiding van: zware klai, en van: vrijd land. “‒ ’t is hail zacht land, ze mouten haitied mit mis peelen,” = die bodem eischt veel mest, eene zorgvuldige bemesting.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
land , land , (meervoud landen), in den zin van bebouwbare bodem, bouwland en weiland; van veen land moaken = afgegraven hoogveen ontginnen; mooi landje, zooveel als: een kleibodem die gemakkelijk te bewerken is, inzonderheid vruchtbare zavelgrond; doags noa ’t land goan, van dagloonersvrouwen gezegd = doags in ’t land wezen = veldarbeid verrichten; dei kou wil nijt in ’t land blieven, ’t is ’n groote schoemer = die koe wil niet in de weide blijven, enz.; zien ploatse stait in ’t land = zijne boerderij ligt geheel buiten het dorp en op vrij grooten afstand van den openbaren weg; doar is gijn land meer achter, zegt men van een dorp of eene streek, die zeer afgezonderd van het algemeene verkeer ligt; in ’t land = te platten lande; in ’t land wonen = niet in de stad wonen; land over iemand of iets zien = de overtuiging hebben daarover baas te kunnen worden, bv. over iemand die niet zoo sterk is, over eene groote hoeveelheid eten, enz.; West-Vlaamsch er land over zien = middel zien om iets uit te voeren. Ik zie er geen land over om dit werk in eene maand te voltrekken. (De Bo). over land en zand proaten = over allerlei zaken met elkander spreken; ’t gait (of: vlōcht, of: vlucht) over land en zand = ’t gerucht verspreidt zich snel en ver, de heele weereld spreekt er over nl. in ongunstigen zin; doar komt land en zand = daar, bv. in die herberg, komt allerlei slag van menschen; zandland = zandgrond die bebouwd wordt. Zie ook: landjers.
in: ’t land hebben = om de eene of andere reden, bv. uit verveling, slecht geluimd zijn; hij het ’r ’t land an = hij doet het met tegenzin, heeft er een afkeer van, enz.; ’t land hebben as ’n stier = stierlêk het land hebben = erg uit zijn humeur zijn. Eigenlijk alle studententermen. (Bij v. Dale: iemand het land opjagen = hem angstig, verlegen, ongerust maken, hem uit zijn humeur brengen; dit laatste is ook Groningsch.)
gemeten land noemt men de werkelijke grootte van een stuk land zooals die bij het Kadaster bekend staat, ter onderscheiding van den naam dien het op de boerderij heeft, bv. de drei groas, de vief juk, wanneer die p.m. 1½ of 2½ HA. groot zijn. De grootte der stukken wordt alzoo in het dagelijksch leven bij benadering bepaald en wijkt, vooral op de polders, vrijwat van de waarheid af; hierom spreekt men dan ook van groote groazen, jukken, enz. Bij aanbesteding van zichten en maaien, bij verhuring van vlasland, enz. wordt hiermede wel degelijk rekening gehouden.
voor: landsregeering; dei postlooper het permissie van ’t land kregen om mit hōnnekar te voaren. Evenzoo: provincie voor: provinciaal bestuur, en gemijnte voor: gemijntebestuur; de geminte het hōm tou thoes oetzet.
geschoapen land = diluviale gronden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
land , land , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – Land over zand gaan, bij besloten water rechtuit, nu eens over land dan weer over ijs, op een bepaald doel aflopen. || Wie gaat er mee land over zand? “Wat ben je vroeg thuis?” “Ja, we bennen land over zand ’ekommen.” – Bij boeren. Hij is ’et land uit (of in), hij is in het veld (de Wormer). Zo ook in het Fri. – Vgl. de samenst. Abtsland, apeland, Bofland, Braakland, Buikeland, Buksland, Dieveland, Engeland, Galgeland, groenland, HARDELAND op hard, Heikeland, Hemland, Hoornland, Jodeland, Katland, kiekeboe-land, Kloosterland, Klopland, Koersland, Kosterland, Kruisland, maadland, Munnikenland, nesland, Nieuweland, Nobelland, Osseland, Padland, papeland, Petland, Pinkeland, Relkeland, RIETLAND op rietbos, Roofland, Schansland, spaadland, spitland, Stoepland, venland, Veringland, Viddeland, Vieland, Vierland, Vijverland, vrijland, weerland, weidland, zaadland, Zaanland, zakland, Zandland.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
land , land* , ook = weiland, met het meerv. landen = landerijen; vgl. landnoaber * en schoemer *; ien ’t land = op het land, ten platten lande, vergel. landjers *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
land  , land , Land en luu aan ein hange, kwaadspreken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
land , laond , onzijdig , laonde , leandtien , land. ’n Laond is een geheel Vriezenveens erf. Heeft een lengte van een paar uur gaans.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
land , laand , zelfstandig naamwoord, onzijdig , laann , leannken , land. Hee hef laand en zaand, hij heeft al wat hij nodig heeft; wat he’k an driete a’k gin laand hebbe, zonder de hoofdzaak zijn bijzaken tot niets nut
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
land , lând , o , veld, bouwland Ons vat is nor ’t lând Vader is naar het veld; hekel ’t lând hébben án Een hekel hebben aan.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
land , land , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze ’t land uitweze, er op uit zijn om het bouw- of weiland te bekijken. | Jaap is efkes ’t land uit, hai zel mit ’n uurtje wel weer thuis weze. Vgl. de bouw uit, de woid uit, de weg uit. – Te land komme, belanden (verouderd) | Alles komt op de grôte houp te land. – Land in ’t vast, land dat via de weg te bereiken is. – Land in ’t los, land dat alleen per schuit te bereiken is. – Land kè je van hale, huize moet je voor betale, je kunt beter land dan huizen kopen. Meervoud lande, in de zegswijze om de lande gaan. 1. het bouwland gaan bekijken, vooral de verschillende akkers in een vaarpolder | Ze ginge mit de skuit om de lande. 2. dwars door een polder gaan, al slootje springend met of zonder polsstok. – Om de lande loupe, lopen luieren, werkloos zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
land , laand , laendtie , land; * den hef altied laand te koop: dat is een opschepper; laendtie benaming voor een stuk grond (ook gebruikt als veldnaam).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
land , land , laand , het , landen , (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, in Zuidoost-Drents zandgebied is de a halflang ). Ook laand (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. land t.o. zee etc. Zie kwamen in Normandië an laand (Emm), Het veen mus ontgunnen worden um land te kriegen bouwland (Eke) 2. land, natie, geboortegrond In wat veur land bust doe geboren? (Nsch), Iederiene is toch het miest op zien eigen laand esteld (Noo), De meeste meinsen bint van hier te laande komen van hier (Hgv), Hier te laande bint ze ewend mekaar goeiendag te zeggen (Bro), Waor is die te laande ekomen? waar woont hij nu? (zw), Het is daor ok niet het laand van belofte (Die), ...laand van melk en hunnig land van overvloed (Gas), Ze woont een ende het land in ver Nederland in (Bov), Stad en laand oflopen om wat te vienden (Ruw), Hij hef laand en zaand ofreisd um an die aolderwetse broodkaste te kommen (Bei), Hie schruuwt stad en land bij mekaar (Sle), Het oolde land Drenthe (Pdh) 3. bij een boerderij behorend land Hej de koenen al in het laand (Man), Hij hef nogal wat laand en zaand (Eel), Hij is op het laand an het waark (Row), De gruunte stiet nog op het laand op het veld (Pdh) 4. platteland (Zuidwest-Drenthe, zuid) Op het laand hebt de dokters zöls een apteek (Rui) 5. perceel Ik wil helemaol gien ruzie maken um een stukkie laand, ik laot de kette der wal op gooien door een landmeter de grens bepalen (Hijk), Hie leg nog met een stukkien land an oes langs (Oos), Dat is hier groot land gezegd, als bij het opmeten een perceel groter bleek dan aangegeven (Eel) 6. hekel Hie hef het land an mij (Gie), ...an melken hai mag gien kou zein (Pei) 7. (fig.) Dat wich is daor mal te lande komen mit dei zoeplappe (Bco), Zo, noou zeei ik der wel laand over, het is nou zo veur mekaor zie ik er wel kans toe (Eex), Ik kwame wat ongelokkig te laande te vallen (Flu), Der is met hum gien land te bezeilen met die persoon is niets aan te vangen (Scho) *’s Lands wies ’s lands eer (Eco); Land bij het vuur is nooit te duur land dicht bij huis (Sle); Er is gien hand vol maor een land vol gezegd als de verkering uit was (Dro); Ain keuning prefeet wordt in zien aigen laand nait eerd (Vtm); Gelukkig is het laand / Waor het kiend zien moer [veen] verbraandt (Mep), Laand is laand en geld en goud is overvloud (Row); Met geluk in de hand kuj door het hele land (And); Hoe lichter het laand, hoe slimmer de lu / Hoe zwaorder laand, hoe groter ossen (Smi); De eine hef land en zand / En de ander niks as de schuppe in de hand (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
land , láánd , land. D’n boer is ’t láánd aon ’t boúwen, de boer is de akker aan het omploegen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
land , laand , zelfstandig naamwoord , et 1. land 2. onbebouwd gebied, in het bijzonder: bouwland, echter vooral: weiland, ook: iemands landerijen bij elkaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
land , làànd , land
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
land , laand , laande , land
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
land , laand , land
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
land , landj , (onzijdig) , lenjer , lendje , land , Door landj en zandj gaon: de kortste weg nemen. Landj verovere: kinderspelletje. Lendjepik spuuele: landje veroveren met een mes; kinderspelletje. Op ’t landj wirke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
land , laand , zelfstandig naamwoord , "land; grond; We hèbbe de schónste stad vant laand ...; WBD bouwland; Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – noodlaanding; WBD III.4.4:137 'land’ = veld, ook 'platteland'; WBD (Hasselt) tulaand (= teelland) - land; Van Delft - Hij stak niet onder stoelen of banken, dat hij ""ook wel eens neven 't potje gepist had"" en drukte dat uit door te zeggen: ""Ik heb ook wel eens over geploegd laand geloopen."" (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929); Cees Robben – In de schônste stad van ’t laand. Prent over de geboorte van de 127.000ste Tilburger, genaamd Tôôntje van Zundert. ‘De schonste stad van et laand’ is de volksnaam voor Tilburg.  (19540213); Cees Robben – Hij zaat op z’n hukkes, en zaag hoe ’t laand/ mee huiskes bebouwd wier...  (19551119); Cees Robben – Hij zaag unne boer... verjaogd en op zuuk/ Naor laand ieveraans... (19551119); Cees Robben – Uit het laand van den Hertog [=Brabant] (19580308); Dialectenquête 1876 - laand; DANB èngelaand; ze zèn wèg nòrt laand; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  Gin laand oover den dèèk kunne kôope (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1972)-arm zijn (= land over de Maas in de polder, vruchtbare kleigrond); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  tis en slèècht laand, waor et gin man goed gao ('87); Frans Verbunt:  gin laand oover den dèèk kunne kôope (Midden-Brabant heeft zandgrond; betere grond ligt over de dijk); Henk van Rijen – 'K-hè-r zo ut laand aon' - Ik heb er zo'n hekel aan. Henk van Rijen – 'laand veroovere' - spel waarbij een mes in de grond wordt geworpen; Frans Verbunt:  en kaoj' laand, waor et gin meens goed heej"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut