elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lachen

lachen , lachen , in: meen lachen, voor: ’t lachen: “’t gekste was dat ik meen lachen neet laoten kon”; ook Gron. (mien lachen).
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
lachen , lachen , lakken , in: ik kon mien lachen nijt loaten, voor: ik moest wel lachen, ik kon mijn’ lach niet bedwingen; ook Drentsch; ’k zel hōm wat lachen! = ik hoest hem wat. – Het werkwoord wordt zwak vervoegd;
lacht = gelachen; wat heb ik om dei kerel lacht!zij hebben d’r helder wat om lacht. Vgl. ge 1.
lakken voor: lachen, wordt in de Ommelanden inzonderheid in ’t Westerkwartier en de Marne veelvuldig gehoord.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lachen , lachen , zie inhollen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
lachen , lache , lach, lachde, lach, gelach, gelache , lachen. Zich siek lache, tranen lachen. Hae lach neet al sleis te um mit enne klômp op zien gezich, Hij is niet aan het lachen te brengen. Hae beduit zich van de lach, hij kan niet meer van het lachen. Hae lach wie ein geit die braomele schiet, Hij lacht alsof hij blaat.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
lachen , lachen , lachde, elachen, ik lache, dů lachest, hei lachet, wi, i, zei lachet, lachen wi , lachen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
lachen , lachn , werkwoord, zwak , verleden deelwoord: elacht , lachen. Zik bloond lachn, zik van de beene lachn, heel erg lachen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lachen , lache , werkwoord , in de zegswijze lach niet, d’r komt ’n skeet nei, gezegd als iemand lacht om het benauwde gezicht van een ander. – Lache om ’n skeet, lachen om niets, om de geringste aanleiding. – Skadelek lache, overdreven luid of uitbindig lachen. lacht, vorm van het voltooid deelwoord naast lachen. | Wat hewwe we guster toch lacht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lachen , lachen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , Met rekking in Noord-Drenthe = lachen Wat hej toch te lachen? waarom lach je toch zo (Die), Het kan rèren en lachen geliek zij kan lachen en huilen tegelijk (Sle), Man laot mij niet lachen (Hijk), Ik heb mij de buus oet lacht geweldig gelachen (Bor), Ik zal je wat lachen ik peins er niet over (Zwig), Hest de koekoek wel lachen heurd? Den kriegen wie ook regen (Vtm), ...dan hef e een ai legd (Bco), Hij lacht as een boer die koezenzeerte hef (Dwi), ...as een iegel under het bussen boenen (Hoh), As hie lachen wil, mut hie humzolf kielen alles zit hem tegen, heeft weinig te lachen (Hol), (zelfst.) Hie kun het lachen niet laoten moest alsmaar lachen (Emm), Hij barstte van het lachen moest geweldig lachen (Row), We waren slop van het lachen (Wap), ...dik van het lachen (N:Sle), Hol op, hol op, ik pisse nog ien de broek van het lachen (Ruw) *Wel het laatst lacht, die lacht het best (Pdh); Lachen is gezond (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lachen , lachen , lachen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lachen , laage , lachen , Ge kun’ter bèèter meej laage és meej schreuwe. Je kan er beter om lachen dan om huilen. Je moet het maar van de optimistische kant bekijken.
Die laacht nog nie al zie'se ne strónt teege de muur umhóóg krûipe. Zij lacht nog niet al ziet ze een drol tegen de muur omhoog kruipen. Zij heeft helemaal geen gevoel voor humor.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lachen , lachen , laachen , werkwoord , 1. lachen 2. maken van het geluid ‘gr, gr, gr’ door een koekoek, van een bep. geluid van een spreeuw, van een bep. lacherig geluid van een duif, vooral van een tortelduif 3. vermaak, leedvermaak hebben
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lachen , lache , uitdrukking , Schaedelek lache Treiterend lachen (leedvermaak)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
lachen , lache , lachtj, lachdje, gelache/gelachtj , lachen , Dao mós ich hertelik óm lache. Doe maaks ei krank paerd nog aan ’t lache. Wae höbbe same hieël get aafgelache. Zich kepot lache.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lachen , laage , zwak werkwoord , laage - laagde - gelaage , "lachen; de uitspraak van de G varieert sterk; 1. Uitspraak met zachte G; – Daor moete nie meej laage. Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – 'gelagen'; gez. MP Agge oewèège nie kietelt, dan laagde nôot. – schaojlek laage - overdreven lachen; Laagen en borden kapot laoten vallen kos ze [het keukenmeisje] nog et best! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun op collecte’; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 –26-8-1939); Cees Robben – Meude hier nie laage...? [in de wachtkamer van de tandarts] (19691205); Cees Robben – Van schreuwe tot laage... (19570112); ""Ehum!"" dee de paoter en 't kwaoken hield op; en de kinkenduut laag daor te loere; mee puilende oogen en laagenden mond  (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘De paoter en de kinkenduut’, 1941); …iederéén zaat zen èège kepot te laage. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  laagende mundjes zèn bèètende hundjes (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1970) - waarschuwing: vertrouw vriendelijke mensen niet altijd. A.P. de Bont – la.g?(n) zw.ww. (vd. gelaagd) intr. - lachen 'Ik laagden da'k schokte'. Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  tis nèt prèùmzuur zónder laage (Si'69) - gezegd van iemand die vaak lelijk kijkt; Henk van Rijen - ek zèè nòg vèr van laage, zi de brööd, èn ze schruwde - ik ben nog lang niet waar ik moet zijn. Bijnamenboek Karel de Beer - et laagend ròggebrôod = Schoenmakers (blz. 70); 2. Uitspraak met scherpe G = CH; Boutkan: laache - laachte - gelaache; R Die laacht nòg nie as ie ne scheet/strónt teege de muur omhoog zie krèùpe (m.b.t. een zuurpruim); R.J. 'de mus laachde'; Pierre van Beek – ""Wocht 'ns efkes, zeej de bruid, 't is nog wijd van laachen!"", een uitdrukking, die betekent, dat men geen ""Hei!"" moet roepen vóór men over de brug is. Zolang de bruid nog de bruid en het huwelijk nog niet gesloten is, kan er immers altijd iets tussen komen, waardoor het ""afketst"". Een wijsheid, die maar al te velen uit de ervaring geput hebben. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 8 april 1950); Cees Robben – Dan laach ik... (19570706); Cees Robben – ge laacht net as ’n gèèt op gummi-hakke... (19650305); 3. Zelfstandig gebruikt; Geluk is 't laage van 'n hart vol liefde (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Geluk’, 1941)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut