elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: laatste 

laatste , leste , (= laatste), in: op ʼt leste wezen, of: op ʼt leste loopen = in het laatste tijdperk van zwangerschap verkeeren, Drentsch op ʼt leste runnen. Zegswijs: daʼs ʼt leste, zee Martinus, dou sturfʼe (– en toen stierf hij), zooveel als: dit nog, en dan scheiden wij er mee uit. Als aardigheid zal gelden: ʼk heb ʼt noa de leste moal ook nog nijt weer pruift, schijnbaar zooveel als: ʼk heb in langen tijd geen sterken drank geproefd. Spreekwoord: De leste loodjes, dei wegen = zijn de krachten voor een arbeid bijna uitgeput, dan valt het moeilijk het eind te krijgen. Vooral wordt dit op eene lange voetreis toegepast. (v. Dale: de laatste lootjes wegen het zwaarst = het laatst van den arbeid valt het moeilijkst. – Hier staat: lootje, voor: loodje, oorspronkelijk een looden of blikken plaatje, fig. voor: kaartje, als bewijs van betaling. zie aldaar artt. loodje, en: lootje. – De Groninger zal hierbij echter steeds aan de gewichten van één decagram denken, daar zij in staat zijn den doorslag te geven.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
laatste  , letste , laatste.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
laatste , lest , zelfstandig naamwoord de , De laatste. | Hai is altoid de lest die thuiskomt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
laatste , leeste , laatste (rangtelwoord).
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
laatste , leste , (zelfstandig naamwoord) , laatste. IJ is altied de leste; Uitdr.: Die löp opt leste ‘die moet binnenkort bevallen’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
laatste , lèst(e) , list(e) , telwoord, bijwoord , "laatst(e), onlangs; List waarde gij de lèste, - Laatst was jij de laatste. Cees Robben - ’t Is kazzjewêêel die kiep van mèn.../ zô zörgt ze vur de Paose.../ ’t Is de leste van den tôôm.../ En asse lee.... dan staose... (19550312); Dialectenquête 1876 - hij is den leste; Frans Verbunt:  óp et lèst lôope - de bevalling voelen naderen; Dirk Boutkan:  (blz. 35) lòtst, lèst, list (van 'laot' met vocaalreductie); Antw. LEST bw. - laatst, Fr. dernier; bw. onlangs; Jan Naaijkens - Dè's Biks – lèst bijvoeglijk naamwoord  - laatst; de lèste Mis; Bosch lest - laatst, de laatste; list(e); laatst(e); R.J. ''s zondags nor de liste mis'; De Wijs  – Dieje liste hàk niemir motte vatte (15-06-1963); Cees Robben – De kender gaon ’t list... (19540724); Cees Robben – D’r zaat er list ’n veugeltje/ te zingen in de zon... (19600708); Cees Robben – Ik heb list heure zegge (19820409); Cees Robben – Ik weet nie wè dè list toch was... (19850823); gez. Pierre van Beek –  Öt de liste mis koome - van niks weten, zich van den domme houden (Tilburgse Taaklplastiek 154); Dialectenquête 1876 - list - laatst; DANB de liste mis; – ze lópt ópt list - ze dreigt spoedig te bevallen; Piet van Beers – ‘Volkstèlling!’: 't Was 'n rèès mee hindernisse, want Maria liep ""op 't list""/ As g' al zôo wèèd op scheut zèèt, is dè hillemòl gin fist. (‘t Èlfde buukske, 2010); Henk van Rijen - liste ketier - bijna op zwart zaad; Henk van Rijen - nòr de miste van de liste fiste is ie meej gewist; Henk van Rijen – 'List waar de gè de lèste'; Frans Verbunt:  et liste heugt et miste; Dirk Boutkan:  lòtst, lèst, list; WBD III.3.3:119 liste mis = hoogmis; Dirk Boutkan:  (blz. 35) lòtst, lèst, list (van 'Laot' met vocaalreductie)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
laatste , letste , laatste
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut