elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwint 

kwint , kwint , kwinde , zooveel als: kleine, bekrompene, ellendige woning, krot; gewoonlijk: olle kwint. Bij van Ankum: kwinde = bouwvallig huis.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kwint  , kwint , De kwint springen, kwaad worden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kwint , kwinde , vervallen huis
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kwint , kwinte , bouwvallig huis
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Winschoter bargoens, in: Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank
kwint , kwint , kwinte, kwinde , de, het , kwinten , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook kwinte (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, noord), kwinde (Veenkoloniën) = 1. oude, vervallen woning Ik wus niet wat ik zag. Wat ’n aole kwinte. Dat daor nog lu in woont! (Sle), zie ook klent 2. kleine, zure appel Zo zoer as ’n kwint (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwint , kwint , zelfstandig naamwoord , de 1. kwint: bep. toon of interval 2. in onder de kwint onder de plak, knoet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwint , [snaar] , kwint , (vrouwelijk) , snaar , Hae is kwaod, dao springtj ’m weer de kwint: hij is snel kwaad.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut