elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwik 

kwik , quicken , In de oude taal beteekende kwik een dier, en in die beteekenis komt het voor in de bij mij berustende MSS. Keuren van Breda ten opzigte van de beesten, welke de vleeschhouwers slaan. KILIAAN geeft quick in deze beteekenis reeds als verouderd op, en zet het over animal, pecus animans: et armentum, grex; en MEYER, in zijne Verouderde woorden, legt quik uit door dier, levendig dier, vee, beesten. Deze uitlegging van KILIAAN en MEYER schijnt aan te duiden, dat even als animal van anima, quik van quik, levendig, komt. Ook wordt quick in de uitlegging der Friesche Wetten, blz. 246, door levende have verklaard, alwaar ook gezegd wordt, dat het in die beteekenis tot aan het midden der 16. eeuw gebruikelijk was. Bijvoegsel: Zie over kwik, in de beteekenis van levendig, het Uitlegkundig Woordenboek op de werken van HOOFT, bl. 16, op aanquicken, en mijne Oud-Friesche Spreekwoorden, bl. 37. Kwick is nog in het Eng. levendig, snel; en van deze beteekenis, welke ook wij eertijds hadden, heeft ROEMER VISSCHER den naam zijner Quicken ontleend, in denzelfden zin als HUYGENS zijn Sneldicht. Ik gis, dat men, naar dit kwik, moete zeggen kwikslag, niet kwinkslag.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
kwik , striktjes en kwiktjes , kleinigheden die moeten dienen voor vrouwelijken opschik, als linten, veeren, enz. (v. Dale: strikjes en kwikjes = snuisterijen, ijdele opschik.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kwik , kwikjes en kwakjes , alliteratie = kliekjes.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kwik  , kwik , Kwik in et gaat hebbe, vlug opvliegend zijn.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kwik , kwikkies , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze kwikkies en strikkies, dubbelzegging voor opschik. Vgl. het N.E.W. onder kwik. 1.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kwik , kwik , het , kwik Het kwik löp ok weer omhoog (Klv), Aj een golden ring in kwik laote vallen, löst hij op (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwik , kwikkien , kwikken , het , kwikkies , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook kwikken (mv., Zuidwest-Drenthe, zuid) = frutsel Vrogger was het bij de vrouwlu allemaole kwikkies en strikkies (Die), Ze holdt een boel van kwikken en strikken (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwik , kwikke , kwiste , de , kwikken , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook kwiste (Zuidwest-Drenthe, noord) = tak(je) Het maakte verschil bij het anbesteden van het kappen kwikken oprumen of niet (Hgv), Nao het iekboken waren de kwikken de koppen van de iekenbostoppen as bemesting veur de bos en dan bleven ze liggen (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwik , kwitsie , het , kwitsies , (Zuidwest-Drenthe, noord) = dun takje Dit kwitsie knip good deur (Die), zie ook kwikke, kwiepsien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwik , kwikkien , zelfstandig naamwoord , et 1. frutsel, opsmuk 2. klein hoopje hooi, stro, ruigte 3. takkenbos van takken van eikenboompjes die in mei worden gekapt, met name bij het eikschillen, nogal eens opgevat als minderwaardige, maar wat bij elkaar geraapte takken, ook: een klein bosje dunne takken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwik , kwikke , zelfstandig naamwoord , de; takje, twijgje van een eikenboom, veelal uit de kop van een boom en door een eikschiller gesnoeid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwik , kwik , zelfstandig naamwoord , et 1. in D’r zit nogal wat kwik in hij/zij verbeeldt zich nogal wat 2. gekapte, gesnoeide takken als overblijfselen uit met name een eikenboom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwik , kwik , zelfstandig naamwoord , et; kwikzilver
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut