elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwibus 

kwibus , kniebus , kleine jongen, schalk.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kwibus , kriebîs , voor: jongetje, snaak, kleine kleuter; bist ʼn kriebîs; koom ijs bie mie lutje kriebîs! Wellicht verbastering van: kwiebus of kwiebês; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kwibus , kwiebîs , voor: aardig jongetje, en ook in ’t algemeen – vroolijke snaak; “zoo’n olle kwiebês” = zoo’n oude guit, oude snaak. (v. Dale: kwibus = zot, dwaas, kwast. – Latijn quibus, ablativus, inzonderheid dativus van: qui.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kwibus  , kwibus , flap.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kwibus , kwiebs , mannelijk , kwibus
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kwibus , kniêbeske , kindje (troetelnaam). aaah.. mien kliên kniêbeske [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kwibus , kwiebes , vreemd persoon ’t Is mar ’ne raore kwiebes Het is maar een vreemd persoon.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kwibus , kwiebus , kwiebussen , grappenmaker Dat is een rare kwiebus, die het altied gekheid (Sle), Dat jonkie is een mooie kwiebus (Nor), ...zo’n malle kwiebus, ie weten nooit oj hum nou bij de kop of bij de konte hebt (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwibus , kwibus , kwibus
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kwibus , kwiebes , rare snijboon
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kwibus , kwiep , kwiebus , sufferd, niet zo snugger ogend iemand, iemand waarbij het lang duurt voordat hij iets snapt, iemand die je aanspreekt maar waarvan je niet direct antw , diejen kwiebus snap niks = die sufferd begrijpt niets- ’t is ne goeie jonge mar ’t blèf ne kwiep = het is een goeie jongen maar het blijft een sufferd- wa’s da toch vur ne kwiebus die daor staot = wat is dat toch een raar iemand die daar staat- jonge, jonge ge ben toch ne kwiebus ok wor = jonge, jonge, je bent toch een sufferd-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kwibus , vibus , kwibus, zonderling (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kwibus , [grappenmaker] , kwiebes , (mannelijk) , kwiebese , kwiebeske , grappenmaker , Och doe gekke kwiebes!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut