elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwek 

kwek  , kwek , bakvischje (meisje).
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kwek , kwéêk , v , schreeuwlelijk (vrouwelijk); hardroepende vrouw/meisje, mond. Heur daor di kwéêk ’s
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kwek , kwèèk , zelfstandig naamwoord , grote mond, keep. 1. Hij tròk ’n kwèèk oope as ’n schuurdeur. Hij zette ’n grote mond op. 2. ’n Kwèèk is een keep (’n zangvogel - Fringilla) die zijn bijnaam dankt aan z’n schreeuwerige zang.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kwek , kweek , schreeuwerig vrouwspersoon.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kwek , kwèèk , smoel , Lómpe mènse praote nie van: 'haauw'dew mundje' die zin 'haauw'dew kwèèk diecht'. Lompe mensen praten niet van: 'houd jij je mond' die zeiden 'houd jij je grote smoel'.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kwek , kwek , zelfstandig naamwoord , de; mond, bijv. Hool je de kwek toch es!
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwek , kweek , schreeuwerige vrouw
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kwek , kwèèk , mond , houdoe kwèèk diecht = hou je mond dicht- die kan z’n kwèèk nie houwe = die kan z’n mond niet houden- ;
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kwek , kwèèk , vrouw die (meestal met stemverheffing) altijd overal iets over te zeggen heeft , da’s toch ’n kwèèk = die heeft altijd wat te zeggen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kwek , kwèèk , kwèèker , 1. mond; 2. vrouw met een brutale mond, schreeuwlelijk , ’n Groote kwèèk ópzette. Een grote mond opzetten.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kwek , kwéék , zelfstandig naamwoord , grote mond, luid- ruchtige vrouw (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kwek , kwèèk , zelfstandig naamwoord , "(v. en m.); 1. schreeuwerig, plat vrouwspersoon; schreeuwlelijk; R Tis zón èchte Tilburgse kwèèk; Cees Robben – [de ene vogeltjesprutter tegen de andere:] Ik heb hier niks hangen as unne tuureluut... Mar doar binn hek nog ’n kwèèk zitte mee drie jong... (19710723); 2. grote mond; N. Daamen - handschrift 1916 - n'groote kwaik opzetten – (n'groten mond)""R Houdt oewe kwèèk!; ""Jongens, haawt oe kwijk,"" riep Graard, ""'t spul begient!"" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’De nuuwe dokter’; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 – 17-2-1940); Pierre van Beek –  en grôote kwèèkerd ópzètte - een grote mond opzetten (kwèèk?); A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - hij zètte zen kwèèk oope - hij zette zijn strot open, schreeuwde hard; Stadsnieuws -  As die kwèèk der kènder roept, kundet in Gôol heure. (219307; Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWÈÈK znw.v. - in de lage taal: mond. Houd oe' kwèèk!; A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder d’Oerse taol, 1958 etc. - ; kwä:.k resp. kwe.k znw.vr. (kweik resp. kweek) grote mond, bakkes: 'Haudt ew kwaek toew!'; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KWÉÉK v. - grote mond, vooral in geopende toestand. Bosch kwèèk - grote mond; WBD III.4.2:32 'kweek' - bek, mond, muil, bakkes v.e. dier; Bijnamenboek Karel de Beer - Karel kwèèk (pastoor K. Janssens) (blz. 48); Bijnamenboek Karel de Beer - Peer kwèèk (P. Mutsaerts; (blz. 58); Bijnamenboek Karel de Beer - Dien kwèèk = mevr. Remmers (blz. 66); Bijnamenboek Karel de Beer - kwèèk Hamers - zong boven iedereen uit (blz. 41); WBD III.1.1:96 'kwèèk' = mond; WBD III.1.1:98 'kwèèk' = mond (spotnaam); 3. vogel; N. Daamen - handschrift 1916 - ""kwaik - geep (vogel)""; Cees Robben – En ziede daor die kwèèk.. (19600708); WBD III.4.1:66 'braamkweek' - braamsluiper (vogel); Volgens Van Roessel wordt de vogel KEEP (Fringilla montifringilla), de berg- of bosvink, ook 'kwèèk' genoemd. Hij heet 'keep' naar zijn gerekte lokroep 'keep'. Jan Naaijkens, Dè's Biks - 1992 - kwèèk zn - grote mond, keep; WBD III.4.1:129 'kweek' - keep (Fringilla montifringilla); ook 'kwee'; WBD III.4.1:66 'braamkweek' = braamsluiper'(vogel)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut