elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwant 

kwant  , kwant , fiksch. Een kwante mos, een flink meisje.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kwant , kwaant , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kwàente , vent
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kwant , kwaant , bijvoeglijk naamwoord , mooi (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kwant , [lollig] , kwant , guitig, lollig
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kwant , kwaant , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Henk van Rijen – keurig, correct, prompt, braaf; = 'pront'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut