elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kiepkar

kiepkar , kiepkar , kruikar met eene soort van korf er aan verbonden. “Boeldag te Grijssloot van: zeven, kiepkar, bodde,” enz. (1876). Zie: kiep 2.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kiepkar , kiepker , kipkar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kiepkar , kiepkar , v , kipkar (kantelkar om aan de achterkant te lossen).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kiepkar , kiepkar , zelfstandig naamwoord de , Kipkar.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kiepkar , kiepkaar , opkipbare, tweewielige kar met kleine bak; de bak valt tussen de beide berries; verkleinvorm kiepkaarske.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kiepkar , kiepkoare , kar met wentelbare bak.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kiepkar , kipkar , kiepkar , de , Ook kiepkar (Zuidwest-Drenthe) = 1. lorrie bij ontginningen Vrouger hadden ze bie het landanmaken kipkarren op glais (Bco), Iezeroere uut de Lheedermao wörde mit kiepkarren weg ebraacht hen het kenaal (Dwi) 2. stortkar (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) Neem die kipkarre mar even mit dat is veul gemakkelijker (Klv), Wupkar en kipkar bint geliek (Coe), zie ook wupkar, stortkar
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kiepkar , kiepköre , kiepkaore , (Kampen) wipkar. Ook: kiepkaore (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kiepkar , kipkarre , kiepkarre , zelfstandig naamwoord , de; 1. over rails lopende kipkar 2. stort- of wipkar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kiepkar , kiepkar , zelfstandig naamwoord , kiepkarre , kiepkarrechie , kipkar, stortkar (driewielige wagen met klein voorwiel)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kiepkar , kiepköre , (zelfstandig naamwoord) , kar die over rails rijdt en kan kiepen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kiepkar , kiepker , (vrouwelijk) , kiepkar, een kar die men kon opkiepen zonder het paard uit te spannen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut