elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kiezel 

kiezel , kezel , gladde, ronde keisteen, keizel, kezel.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kiezel , keizel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. tukkelkeizel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kiezel  , keezel , kiezel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kiezel , kiezeltje , zelfstandig naamwoord ’t , Kiezelsteentje. | D’r zit ’n kiezeltje in m’n skoen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kiezel , koizel , zelfstandig naamwoord de , Verouderde variant van kiezel (steentje).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kiezel , keizel , zelfstandig naamwoord , de; fijngeklopte steen of kalk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kiezel , kezel , (mannelijk) , kezele , kezelke , kiezel, grind , De waeg is bezejdj mèt kezele.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kiezel , kaezel , kiezel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut