elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kiepen 

kiepen , kuppen , (zwak werkwoord, intransitief) , Van een boerehoedje (kiep) steekt de opstaande rand van voren meestal schuin vooruit. Is dit niet het geval, maar staat de rand te recht, zodat hij bijna tegen de hoed op ligt,dan zegt men te Assendelft: “Die hoed kupt” of “het kupt”. – Zie kippen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kiepen , kiepen , (zwak werkwoord, intransitief) , Een stevige borrel drinken. || Hij ken danig kiepen. Ze zitten weer te kiepen. – Waarschijnlijk betekent kiepen eigenlijk omslaan, het glas ledigen; vgl. kieperen. – Zie kieperd.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kiepen , kiepen , (zwak werkwoord, intransitief) , Eigenlijk met een kiep (mand) lopen (zie kiep I), doch alleen gebruikelijk in de zin van venten met koek en suikergoed tegen St. Nicolaas; meestal van vrouwen, die geen ventsters van beroep zijn. Zie de afleidingen kiep II en kiepster. || Zo, buurvrouw, ok uit kiepen? Ouwe Trijn is er nog niet wezen kiepen. Ze zel wel kommen kiepen. “Hier wordt alleen op woensdag gekiept” (kennisgeving aan een huis, waar men alleen des woensdags kiepen aan de deur wil hebben). Vgl. kiepdag.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kiepen  , kieppe , omwippen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kiepen , kiepe , werkwoord , 1. Kippen, omkantelen. 2. Een stevige borrel drinken. Eigenlijk een borrel naar binnen kippen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kiepen , kiepe , werkwoord , Met een kiep of hengselmand koek en suikergoed uitventen in de sinterklaastijd (verouderd). Vgl. Boek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kiepen , kiepe , werkwoord , Stilletjes of stiekem kijken (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kiepen , kippen , kiepen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , omkiepen, (doen) kantelen Dei karre kun je haost nich kippen (Bov), Pas op as ie niet giet kippen (Hol), Laot de bak maor kippen (Dal), Laot het zaand daor maor kippen gooi het daar maar neer (Bui), Kip het maor in dat gat (Dro), zie ook kiepe(r)n; kiepen (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. kiepen, kantelen Het voor heui is mij der of kiept (Sle), Aj niet oppast kiept dat vat (Gas), zie ook kiepern, kippen 2. gooien De körf vol bla kiep wij zo bij op de bult van de gemiente (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kiepen , kiepen , kippen , werkwoord , 1. kantelen, (doen) omvallen 2. in of uit iets gooien 3. keepen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut