elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kiel

kiel , kiil , wigge.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kiel , keel , kiel. Overkleed van mannen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kiel , kiel , keel , (mannelijk) , kiel (kleedingstuk).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kiel , kiel , geer, schuine strook in een kleedingstuk, enz.; ook Oostfriesch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kiel , kiel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Het diepere deel van een greppel, waarheen het water moet aflopen. De kiel ligt dus bij de dwarsgreppel, waarop alle greppels uitwateren. || Je moete je kiel wat dieper steken, aârs loopt ’et water niet of. – Vandaar kiel (of kieltje) steken en kiel spitten, greppels steken, uitgreppelen. || We moeten weer ers kieltje steken. Den 15 November betae(l)dt aen Taems Willemsen 10 st. voor kiel spieten. Dijkb. Wormer (a° 1663). Dito betaelt aen Cornelis Jan Pontmans van kiel spitte en met de landmeter geweest 1-2-0, ald. (a° 1666). – In Overijsel is kielspit een scheidsgrep in het land (O. Volkst. I, 123). – De eigenlijke bet. van het woord zal zijn diepte, holte, goot. Vgl. Mnl. die helsce kiel (kiele), de hel (Mnl. Wdb. III, 1414), en bij KIL.: kiel, kille, statio, palus littoria (ankerplaats, moeras). Zie verder FRANCK op kuil. Vgl. kielen I.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kiel , kiel , (zelfstandig naamwoord) , Het kruis van een broek. || Ik zel ’en nuwe kiel in je broek zetten. De kiel is versleten. – Vgl. KIL. kiele, Sax. Sicamb. Fris. j. broeck-kiele, subligar, subligaculum, femoralia, feminalia: superior bracharum pars, pudenda et femora obtegens.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kiel , keel , kiel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kiel , kiil , [kīl] , kiel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kiel , kiel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kiele , kielken , kiel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kiel , kiel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kieln , kielken , wig. Met n eenn kiel n aandrn lùs houwn, met het eene kwaad het andere bezweren
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kiel , kiel , boerekiel , kiele , boerenkiel(en).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kiel , kiel , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Blauwe kiel, (voorheen) dagelijkse dracht van boeren of boerenarbeiders. 2. Jongensoverhemd (verouderd). 3. Kruis van een broek. | Die broek is te nauw in de kiel. Vgl. het N.E.W. onder kiel 1.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kiel , keel , kiel.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kiel , kiel , kiele , de , kielen , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook kiele (Zuidwest-Drenthe) = kledingstuk, vooral blauwe werkkiel Trek even een schone kiel an aj daor hen gaot (Pdh), De kiele hangt altied an de spieker op de dele (Die), zie ook blauwkiel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kiel , kiel , kiele , de , kielen , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook kiele (Zuidwest-Drenthe) = 1. wig, keg Hij sluig een kiel in de bielstaol (Row), Daor moet wij even een kiel tussen houwen (Klv), Draodpaolen kleuven deej met een kiel en een holtslag (Sle), Het was er zo hiet dat de kielen oet het spek vullen als het spek bij de slacht niet te dik was, werd het wat opgestreken, zodat het dikker leek. Aan de onderkant werd daartoe een snee gemaakt en deze werd opgevuld met een kiel spek, waardoor het geheel wat dikker leek en dan werd het weer glad gestreken (Sle) 2. driehoekig, kielvormig stuk Dat laand lop ien een kiel oet (Bov), Hij had een male kiel in het land (Ros), Eerst even de kiel der oetploegen eerst de driehoek, zodat je aan de kanten gelijke stukken overhield (Sle), Zet mij even een neie kiel in de boks (Pdh), Ik heb een kiel in het hemd zet stuk onder de oksel in ouderwets overhemd, om de arm beter te kunnen bewegen (Row), Een kiel wuur vort an de mouw anknipt Zo’n kiel zat in een boezeroen stripte hemden en vrouwluhemden (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kiel , keel , een kiel van blauw linnen, het kledingstuk van kooplui en marktgangers.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kiel , kiele , kiel van een schip
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kiel , kiele , wig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kiel , kiele , kiel (kledingstuk)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kiel , kiele , kiel (kledingstuk).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kiel , kiele , 1. kiel van schip. 2. wig (metaal of (hard)hout).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kiel , kiltje , kieltje , Ik hôj mér 'n aauw kiltje ôngetrokke tuun ik die poste moes gôn kléúve. Ik had maar een oud kieltje aangetrokken toen ik die boomstronk moest gaan klieven.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kiel , kiele , kiel , zelfstandig naamwoord , de 1. keg, in diverse toepassingen, o.m. in de ring onder om de zeisboom aangebracht: daarin is nl. de punt van het zeisblad gehaakt ter bevestiging 2. driehoekig, puntig stuk land, dat daarmee moeilijk te bewerken is 3. stukje kledingstof, soms puntig toelopend, ter vervanging of ter verruiming in een kledingstuk aangebracht, ook: okselstuk 4. bep. kledingstuk: kiel 5. kiel van een schip
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kiel , kiele , (zelfstandig naamwoord) , 1. kiel, kledingstuk; 2. wig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kiel , kiele , (zelfstandig naamwoord) , kiel van een schip
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kiel , këëltje , (W) kort werkjasje, meestal blauw. Kieltje (E)
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
kiel , kiel , 1. greppel; 2. (boeren)overhemd.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kiel , keejl , zelfstandig naamwoord , kiel (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kiel , keel , (mannelijk) , kele , keelke , kiel, kledingstuk , Eine boerekeel.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kiel , kiel , (mannelijk) , kiele , kielke , keg, wig
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kiel , kael , kaele , kaelke , kiel (kledingstuk)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut