elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kerkboek 

kerkboek , kerkboek , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – In oliemolens. Een blokje hout, in vorm en grootte overeenkomende met een kerkboek, dat gebruikt wordt om de nieuwe haren (zie haar 2), die in hun fatsoen geperst moeten worden, gemakkelijker tussen de ijzers van de laad te doen inschuiven. Daartoe legt men het kerkboek met de snede op het haar, terwijl men met een hamer op de rug slaat om beide naar beneden te drijven.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kerkboek  , kerkbook , kerkboek.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kerkboek , kerkboek , kerkboek; * ie könt better zien kerkboek wèèn as zien peerd: hij werkt hard, maar hij komt weinig in de kerk.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kerkboek , kerkboek , het , kerkboek Hij har zien kerkbouk vol zitten mit bidprenties (Bov), Dat kerkboek is in onbruuk raakt der is non een neie gezangboek (Sle), Ien een kaarkeboekien hef elk gezang een nummer (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kerkboek , karkeboek , karkboek, kaarkboek , zelfstandig naamwoord , et; kerkboek, nl. gezangboek, ook m.b.t. bep. kerkelijke registers: doopboek enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kerkboek , [misboek] , kirkbook , (onzijdig) , missaal, misboek
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut