elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kerel 

kerel , kerel! , soort van interj. uitroep van verwondering: kerel! ’t snee mie deur alles hen; kerel! wat ’n holt en sprikken! enz. Ook Gron. dat ook heeft: kerel kerel! en: kerel op peerd! uitroep van verwondering en blijdschap.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kerel , kèrel , (mannelijk) , kerel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kerel , kerel , in de taal der boerenarbeiders zooveel als: man (echtgenoot); de vrouw zegt steeds: mien kerel, of: kerel, en hij: mien wief, of: ’t wief. In den mond van meer gegoeden wordt het als eene ruwe uitdrukking aangemerkt, en heeft dan iets minachtends, bv.: “en of ze ’t moar deet om kerel ien houk te hollen” (– om haar man thuis te houden); dat wicht mout ’n kerel hebben = is om ’n kerel verlegen. – In het algemeen voor: werkman, daglooner, arbeider; doar mout ’n kerel bie; doar mou ’we ’n kerel tou kriegen = daartoe hebben wij de hulp van een werkman noodig; ’n hijle kerel wezen = iemand zijn die in zijn’ stand vrijwat uitvoeren kan, wat beteekent: dat jongetje wordt al ’n hijle kerel = groeit flink, wordt groot; dat moakt nog eerst ’n kerel oet = zoo iets geeft aanspraak op den naam van man, dat is mannelijk gehandeld; hij ’s meer kerel (dan de ander), zooveel als: hij bezit meer karakter, is meer man, handelt meer zóó als men van een man eischt; zij het ’r wat kerel van moakt = door haar is er nog een man van geworden; kinder wor’n kerels! zegt men als iemand zich verwondert dat de (vroeger) kleine knaap nu reeds zoo groot is geworden; Oostfriesch: ût kinner worden kerels, of: ût kinner worden ôk lü. – Vergelijking: ’n kerel as ’n boom = groot, forsch gebouwd man; ’n kerel as ’n wōlk, ook: of ’e regend is, en: ’n kerel as ’n ailand = een zwaar gebouwde, knappe man. Zegswijs: hij ’s ’n kerel ien soep moar toai ien ’t koken = hij beeldt zich vrijwat in, maar als het er op aankomt durft (of: kan) hij niets uitvoeren. (Vgl. Kars). – Samenstellingen: kerelswark = zeer moeilijk, zwaar werk, ook in fig. zin; kerelsgek = manziek; sneikerel = sneeuwpop, sneeuwman; swienkerel = koopman die varkens bij de straat of den weg vent; kroamkerel = man die met eene kraam op de kermis staat, of daarin bediende is; tentkerel = die bij een spel (paardenspel, enz.) of tent behoort; malmölnkerel = die bij een draaimolen behoort; keeskerel, viskerel, herênkerel, talholtskerel, enz. = menschen die kaas, enz. bij de huizen of uit het schip verkoopen en zoo van het eene dorp naar het andere trekken; peerekerel = man die veel van paarden houdt en er ook kennis van heeft; doomnieskerel = die getrouw de kerk bezoekt en een vriend van predikanten is. – Kil. kaerle, keerle (verouderd); v. Dale: kerel = vent, dik en grof manspersoon. Zweedsch meerkarl = opperman; hållkarl = een man die aan de stations voor paarden moet zorgen; slotterkarl = maaier, enz.; Deensch gaardskarl, huuskarl = huisknecht; Oud-Noorsch stafkarl = oude bedelaar, enz. Zie ook: mooie; kerel! als uitroep van verwondering en blijdschap, ook: kerel op peerd! en: kerel en gijn èn! ook Drentsch; Westfaalsch kaerl un kain ende! kerel kerel! uitroep van verwondering.
groote kerel; schertsend zegt men tegen knapen: hij is ’n boaskerel, zooveel als: gij zijt een baas van een jongen. Drentsch baos preeker (nadruk op: boas) = flink redenaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kerel , kérel , Van iemand, die klein is, maar zich zeer mannelijk tracht voor te doen, zegt men: ʼt Is ʼn kérel as kas, maor de b(i)eentjes, de b(i)eentjes! (of: maor de b(i)eentjes van was).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kerel , kerel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie zegsw. op karten. Ook: man, echtgenoot. || Me kerel kwam guster dronken thuis.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kerel , kerel* , zie ook hartig *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kerel , keerel , kieerel , Van iemand, die klein is, maar zich zeer mannelijk tracht voor te doen, zegt men: ’t Is ’n k(i)eerel as kas, maor de b(i)eentjes, de b(i)eentjes! (of: maor de b(i)eentjes van was).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kerel  , kaerel , kerel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kerel , keerl , mannelijk , keerls , keerltien , man. Keerl en geneande!: uitroep van verbazing
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kerel , keil , mannelijk , keiltien , kerel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kerel , keal , zelfstandig naamwoord, mannelijk , keals , kealken , 1 man, 2 echtgenoot. De keal, de man; kealswoark, mannenwerk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kerel , kél , m , kéls , kéltje , man, mannen, mannetje; man(nen), kerel(s), klein mannetje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kerel , kirrel , zelfstandig naamwoord de , 1. Kerel. 2. Echtgenoot. | Ze het ’n beste kirrel. 3. Iets dat groot is in zijn soort. | Hai het ’n kirrel van ’n snoek vongen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kerel , kel , manspersoën. Enne Meldersese kwoam thoês va zien waerk in de bös en vertelde woe ziene collega zich inne hand gezaagd haaj: “KEL, KEL wát haaj di KEL en hand, KEL!”
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kerel , kél , kerel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kerel , kel , enne fleenke meens; da’s pas enne kel! Die en döärp döärp loate dát zîen pas kels.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
kerel , keerl , kerel.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kerel , keerls , kjels , kjeltie , kerels; * de helfte van alle luu die trouwt bint kjels; * broek, woar goa’j hen met det kjeltie: de verhouding is zoek.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kerel , kèrel , kerel , de , kèrels , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook kerel (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = kerel Wat bin jij een kerel worden groot geworden (Dro), IJ bint een kerel van niks (Eex), ...een kèrel van lik-mij-het-vestien waardeloze vent (Sle), Doe bist mie ok een mooie kerel je bent me er eentje (Ros), Het is een beest van een kerel (Dwi), ...een boom van een kerel (Klv) of Een kerel as een boo (Ruw), Het is een kerel as Karst en die leut zich deur een klokke doodbieten (Hgv), (in uitroepen) Kerel nog an tou (Row), Kerel man hou kanst doe dat zo doun (Bov), Kerel kerel wat een best peerd (Een), Kèrel en gien èende dat heb ik nog nooit hèurd (Sle), zie ook Karst II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kerel , kèl , kerel, man.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kerel , kerel , kerel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kerel , kerel , zelfstandig naamwoord , de; 1. forse, krachtige man 2. moedige of flinke manspersoon 3. echtgenoot, vrijer 4. ruwe, ongure vent 5. man; ook gezegd om iemand vertrouwelijk aan te spreken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kerel , kaerel , zelfstandig naamwoord , kaerels , kaereltie , kerel, man Kaerel, kaerel, wat hettat geomweerd, ’t vier was nie van de lucht Kerel, kerel, wat heeft het geonweerd, het vuur was niet van de lucht
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kerel , kèl , kerel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kerel , kèèrel , kjèl , 1. vent met lef, kerel; 2. kerel, grote vriend , Gèij bént unne schònne kèèrel inne. Jij bent een mooie kerel. Niet dus.Verbloemende uitdrukking.; Zoo kjèl, bénd’r wir? Zo kerel, ben je er weer?
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kerel , kaerel ,  kil , 1. kerel; 2. zie klaorkerel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kerel , [kernhout] , klaorkerel , kaerel, kerel, kil , kernhout, binnenste gedeelte van een boomstam.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kerel , kèl , zelfstandig naamwoord , kerel, echtgenoot (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kerel , kaerel , (mannelijk) , kaerels , kaerelke , kerel, vent , Det is eine goje kaerel, mer hae pistj get lang: dat is een goede vent, maar hij werkt langzaam. Kaerelke, waat maaks se mich noe paraat!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kerel , kèèrel , kèl , zelfstandig naamwoord , kerel; Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  'keirel'; Cees Robben – Zwarte mèèrel... Felle kèèrel... (19601007); WBD III.3.1:22 'kerel' - kerel; D. Boutkan (1996): kèèrel / kêerel (blz. 95); WBD III.1.1:3 'kerel' = man; WBD III.1.4:127 'kerel' = betrouwbaar iemand; WBD III.4.in222 'kerel' = iets groots in zijn soort', ook 'knoeperd','knoert; Bont kär?l, zelfstandig naamwoord m. 'kaerel' - kerel; Goem. KEREL - kè:r?l, zelfstandig naamwoord m.: n? — g?lak n?m b??m; Antw. KÈREL zelfstandig naamwoord m. -iets groots in zijne soort; kèl; kerel; alleen aangetroffen bij Piet Heerkens; verkorting van dialectisch kèèrel; z'is laoter getrouwd mee 'nen Tilburgsche kel... (Piet Heerkens; uit ‘Vertesselkes, ‘De boeren van Baokel’, 1944)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kerel , kael , kels , kelke , kerel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut