elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: keper 

keper , képer , (mannelijk) , keper, met een keper geweven stof.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
keper  , kaeper , spant.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
keper , keper , de, het , 1. keperstof Hij hef een jassie van blauw keper (Gie), De keper is zwart van kleur (Flu), Vrogger dreugen ze onderbroeken en hemden van ’t keper (Hgv) 2. weefpatroon, (fig.) Op de keper beschouwd hej wel geliek (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
keper , keper , in: op de keper beskouwd ‘als men de zaak nauwkeurig beziet’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
keper , keper , zelfstandig naamwoord , de, et 1. bep. weefpatroon 2. bep. stof, nl. met dat weefpatroon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
keper , [balk voor dakconstructie] , kaeper , (mannelijk) , kaepers , kaeperke , balk voor dakconstructie
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
keper , keeper , zelfstandig naamwoord , "WBD II.4. p. 872 – J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij „keper-, serge- of casimirbinding"": „Binding , waarbij door de onderlinge draadkruising schuine, evenwijdige lijnen in het weefsel ontstaan.""; keejper, K 183 (= Tilburg); kepertje : keeperke, K 183 (= Tilburg)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut