elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kennen 

kennen , kennen , verklaren, keuren, bv. van waarde kennen = erkennen. Vergel.: kennelk. Zegsw.: dat komt mij niet = daar heb ik geen verstand van.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kennen , kennen , kunnen, en: kennen; ik kōn, wie kōnnen = ik kon(de), wij konden, en: ik kende, wij kenden; hou ken ’t! (met sterken nadruk op: ken ’t) = hoe kon zoo iets plaats hebben, hoe was dat mogelijk! – met iemand kennen = het goed met hem kunnen vinden, goed met hem overweg kunnen; ook Drentsch; over iemand kennen (= maggen, of: meugen) = hem wel mogen lijden, van zijn’ omgang houden; West-Vlaamsch kunnen over, fig. kunnen lijden, zich niet ergeren; er zijn rijke lieden die niets aan de armen geven, daar kan ik niet over. (De Bo). Aldaar: kunnen = weten, kennen; hij kan geen fransch, hij kan bijkans nooit zijne les. hōm wel ankennen = sterker zijn dan hij, ook Drentsch (vgl. v. Dale art. aankunnen); zij kennen nijt tegen ons an = wij zijn hun de baas; gijn vief tellen kennen = onnoozel voor den dag komen; ook Drentsch; Holsteinsch He stell sik an, as wenn he keen fief tellen kun, un was dog schelm in sinen huut; Meurs: Den kickt, as wenn he kenn drei tellen köös; – as ik dat nog ijnmoal zij den ken ’k ’t ook (als ik dat nog eenmaal zie dan kan ik het ook doen), spottend en tevens berispend, wanneer een klein ongeluk wordt gehouden, bv. een kopje wordt gebroken: hij wil zōk (of: hōm) doar nijt an kennen loaten = voor ’t uiterlijk stoort hij zich er niet aan, of: hij geeft toe, bv. om iets te betalen wat hij eigenlijk niet behoefde te doen, en dan zooveel als: hij wil zich niet voor schriel laten verslijten. Met betrekking tot eene beleediging is het zooveel als: hij handelt zóó, dat men niet zal kunnen zeggen dat hij er geraakt over is of dat hij zich heeft willen wreken. Spreekwoord: Men mout eten wat men lust en lieden wat men ken, schijnt bij sommigen een leus te wezen om te willen eten wat zij liefst lusten, en er zich niet om bekreunen of ’t hun wel of kwalijk bekomt, maar wordt ook als eene waarschuwing gebruikt, voor: doe uwen zin, maar denk om de gevolgen. Holsteinsch Eeten wat man mag un lieden, wat der vör hört. – Vervoeging: ik ken, doe kenst, of kenste, hij ken; ik kōn, doe kōnst of kōnste, hij kōn; wie kōnnen, ik heb kend, enz. Aldus ook in alle samenstellingen; bekennen en ontkennen worden zwak vervoegd.
zich herinneren uit het verleden, ’t beleefd hebben; hei ’t nog kend dat de boerinnen ooriezers drougen? ik heb ’t nog kend dat hier gijn grindwegen wassen. Zooveel als: hebt gij den tijd nog gekend, enz.
voor: moeten, inzonderheid in de kinderwereld; ik ken, voor: ik ben aan de beurt, bv. met lezen, bij een spel, enz.; dat ken elk zulf wijten = dat moet elk voor zich zelf weten.
ken = kan, en: ken, maar = kunnen, en: kennen, wanneer het door: wij, gevolgd wordt: dat ken wie nijt doun; “vōt kin ve niks begunnen”; dei mensen ken wie (of: ken ve) nijt.
kenst = kanst (Stad-Groningsch) = gij kunt, en: kunt gij? kenst mie niks weismoaken; kenst mie ook ’n gulden lijnen?
kōn = en: kende; ik kōn dei man nijt.
kend (verleden deelwoord van: kennen = kennen, en: kunnen), in: ’t har wezen kend = ’t had kunnen zijn; zij harren d’r nijt wezen kend = zij hadden er niet kunnen wezen, bv. uit plaatsgebrek; “hij har van middêg hier ja wat eten kend” = hij had hier immers heden middag kunnen eten; ’t het altied kend en ’t ken nog = ’t is tot nu toe mogelijk geweest; ik heb ’t kend = heb het kunnen doen, heb die kunst goed verstaan, en: ik heb het van buiten gekend, bv. een vers.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kennen , kennen , (onregelmatig werkwoord) , Vervoeging: Tegenw. tijd, ik ken (en kan), je kenne (en ken-je, kan-je), hij ken (en kan), we, jollie, ze kenne. Verl. tijd, ik kon, je konne, hij kon, we, jollie konnen. Verl. deelwoord ’ekend of ’kend. || Ik kon (kende) ’em niet. – Zegsw. Zich aan iets kennen laten, om een kleinigheid een verkeerde karaktertrek blootgeven. || Laat je toch niet an dat dubbeltje kennen (laat toch niet om der wille van dat dubbeltje blijken, dat ge eigenlijk inhalig zijt). Ook elders bekend, doch volgens VAN DALE alleen gewestelijk. – Vgl. bekennen, eenkend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kennen , kōn , kende, zie kennen *; menig Groninger zal, Nederlandsch willende spreken, zeggen: “ik kan hem niet”, inplaats van ik ken hōm nijt, en maakt daardoor juist de fout die hij wilde vermijden!, vergel. harbargen (bladz. 22.) Ook elders verwisselt men “kennen” en “kunnen”, bvb. ik kan (of: kon) mijn les, enz.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kennen , kennĕn , begrijpen. Det ken ik niet.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kennen  , kinne , kin, kins, kint, of kôn, gekind of gekôs , kennen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kennen , kenn , werkwoord, zwak , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: keant, verleden tijd: keann, verleden deelwoo , kennen. Da kù’j neet kenn, men kan niet weten; wa wat kenn, wel wat meegemaakt hebben
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kennen , kenne , kinne , werkwoord , 1. Kennen. 2. Kunnen. 3. Herkennen. | Ik denk, da’k ’m gien meer zou kenne. De vervoeging van ‘kenne’ luidt: enkelvoud ken – kon – kend/kennen/keunen. Meervoud kenne – konne – kend/kennen/keunen. Dikwijls wordt in een zin met het hulpwerkwoord ‘kenne’ het zelfstandige werkwoord weggelaten. Ze kenne goed mit mekaar = ze kunnen goed met elkaar opschieten. Ik kon ’n beste prois = ik kon een beste prijs (voor mijn produkten) krijgen. Om aan te geven, dat (ook) in West-Friesland de werkwoord kunnen en kennen en de werkwoord leggen en liggen niet worden onderscheiden, moge het volgende schertsrijmpje illustratief zijn: Hoe ken ’t, dat ie z’n les niet kon, of ken ie dat niet zègge? Ik lag de les toch duidelek uit, déér ken ’t ’m niet an lègge! Zegswijze as ’t niet ken zôas ’t moet, moet ’t maar zôas ’t ken, men moet roeien met de riemen die men heeft. – As je niet kenne wat je wulle, moet je wulle wat je kenne, zie de vorige zegswijze
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kennen , kennen , sterk, zwak werkwoord, overgankelijk , 1. kennen Ik ken gien Russisch (Nsch), Hij kende dat spullegien niet (Mep), Waor zulden ze mekare kennen eleerd hebben? (Noo), Hie wol je niet meer kennen (Oos), Taofels muj uut de kop kennen (Hav), Hie kent zien wark wel verstaat het goed (Sle), Kennen en kennen is twee mor ik wete der wel wat van (Die), Daor kenne wij hum wel veur we hadden niet anders van hem verwacht (Hgv), Ik laote mij niet kennen ik wil het gien woord hebben (Nije), Ik laot mie nich kennen ik geef nog een rondtien (Bov), (onpers.) Dat kent mij niet dat ken ik niet (Hijk) 2. herkennen Hij zal die man wel niet meer kennen (Uff), Ie kunt hum wel kennen hij hef een pette op (Hgv) 3. kunnen (Veenkoloniën) Dat mout kennen (Eco), zie ook kunnen *In tieden van nood leer ie joen vrunden kennen (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kennen , kennen , kennen. Ik kenne ’t ele mense niet ‘ik ken die vrouw helemaal niet’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kennen , kèn’tie , kent hij , És niet kömt tuuw iet, kèn’tie z’n aojge nie. Als niet komt tot iet, kent hij zichzelf niet. Heeft men meer aanzien gekregen, dan moet men z’n afkomst niet verloochenen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kennen , kennen , werkwoord , 1. kennen aan iets, weten enz. 2. kunnen, tot iets in staat zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kennen , kenne , werkwoord , ken, kon, gekenne , kennen Ik kon ze bekant nie meer trug Ik herkende haar bijna niet Ik kon ‘m al toen die nog in de rokke liep Ik kende hem al toen hij nog met luiers liep Hum heb ik nog gekenne, z’n vrouw kon ik niet, dat was een vreemd Hem heb ik nog gekend, zijn vrouw kende ik niet, die was een vreemdelinge
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kennen , kennen , begrijpen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kennen , kanne , werkwoord , kennen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kennen , kènne , kèntj, kèndje, gekèndj , kennen , Hae kèntj gein noeat zoea groeat wie ein koe: hij is niet muzikaal. Ich kèndje ’m ane meneer van loupe. Waat de boer neet kèntj, det vritj d’r neet.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kennen , kèndoe , samentrekking , ken je je; Cees Robben – Dan kendoe èège niemir terug (datum niet bekend
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kennen , kinne , kinde – gekind , kennen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut