elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: keet 

keet , keete , kookhuis, afgezonderd van het woonhuis op eene boeren werf
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
keet , keete , kookhuis, afgezonderd van het woonhuis op eene boeren werf
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
keet , keet , gering huisje of vertrek van het woonhuis afgezonderd. In oude schriften komt het ook als huisje voor.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
keet , keet , (vrouwelijk) , keten , eene zekere hoeveelheid water of ander vocht. Het paard pist een heele keet, het zijn groote keten.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
keet , keet , (vrouwelijk) , keeten , zoutkeet, polderkeet, een herberg, winkelhuis, of woning van den aannemer of opzigter, bij droogmakerijen of andere publieke werken. Na twee en een halve eeuw bestaat nog de Hoornsche keet in het midden van de Beemster.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
keet , keet , (vrouwelijk) , keet.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
keet , keet , een van de woning afgezonderd gebouwtje bij de boerderijen, waarin gewoonlijk gekookt wordt. Zeeland keet, Holsteinsch kate = hut, boerenhut, Engelsch cottage, in sommige streken van Duitschland Koth of Kathe. Van dit woord zou ook de geslachtsnaam ten Cate of ten Kate gevormd zijn. (Zie Winkler Prins Encyclop. art. Kate.) Vgl. keuterboer, en: kebōf.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
keet , keet , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Een keet pissen, een grote plas wateren, van paarden (de Wormer). || Dat peerd pist ’en hele keet. O, wat heb die ’en keet ’pist. Evenzo in de Beemster (BOUMAN 52). Keet zal men hier wel moeten opvatten als zoutkeet, zoutpan, dus een hoeveelheid zilt nat, zo groot als die in een keet. Zoals bekend is heeft te Zaandijk een Zoutkeet bestaan.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
keet , keet* , in sommige streken van Duitschland Koth, Kothe, Köthe, Kathe; Engelsch: cottage.Van dit woord zou de geslachtsnaam ten Cate of ten Kate gevormd zijn; vergelijk keuterboer *, ook de aanteekening.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
keet  , keet , ruzie.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
keet , keet , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze ’n keet pisse, een grote hoeveelheid pissen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
keet , ket , zelfstandig naamwoord de , Variant van keet. 1. Het woord is waarschijnlijk te herleiden tot Frans gaité = vrolijkheid. Zegswijze ket make. 1. Plezier maken. 2. Ruzie maken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
keet , kieët , houten loods, slechte woning.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
keet , keet , de , keten , 1. geheel of deels van zoden opgebouwde woning Een keet is een woning dei mit de spanten op ein zodden wal stait (Bov), Wij gaot weer op de keet an naar huis (Pdh), Wat een herrie in de keet wat een geruzie, lawaai (Dwi) 2. oude, bouwvallige woning Die aol keet kunt ze beter ofbreken (Bal) 3. (schaft)keet De gemeintekerels zit alweer in de keet (Bco), De törfmaekers woonden ien een holten keet bij het vene (Wsv) 4. lawaai, ruzie, gerotzooi Die beiden die hebt ok weer keet het is daor altied keet (Klv), Keet schuppen (Dwi), Een glaasie en nog een glassie en het dreit altied op keet maken uut (Hgv), Wai hebben een heile keet beleefd heelwat gedonder (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
keet , keet , keet
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
keet , keet , zelfstandig naamwoord , de; 1. schaftkeet of soortgelijk houten gebouwtje dat tijdelijk onderkomen biedt, noodwoning 2. armoedig, klein en slecht gebouwd huis 3. het eigen huis en toebehoren 4. rommel, bende 5. herrie, drukte, lawaai, lol 6. ruzie, gekrakeel, een geweldige drukte, lawaai
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
keet , kêêt , zelfstandig naamwoord , kêête , kêêtjie , 1. keet, houten schafthok As ter êên droppel water valt zitte ze al in de kêêt 2. zwingelkeet voor vlasbewerking Hij werkt swinters in de kêêt as braeker Hij werkt ’s winters in de zwingelkeet als vlasbreker Zie ook zwingelkooi 3. keuken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
keet , [verdieping boven de stal] , keet , 1. verdieping boven de stal; 2. slaapplaats (voor knechten) op deze verdieping (W.-Veluwe, elders *hilde of *hilt).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
keet , kiet , zelfstandig naamwoord , huisje (Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant; Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
keet , kieët , (vrouwelijk) , kieëte , kieëtje , keet, huis , De ganse kieët is aafgebrandj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
keet , kiet , huis; de kiet is hémaal afgebrand!
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
keet , keut make , lol maken
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
keet , kêet , kiet , zelfstandig naamwoord , kitje , keet, armoedige houten woning; H. van Rijen (1988): de Kêet - onderkomen van leproserie 'Den Èùlevlucht'; WNT VII:2016: gewestelijk nog KETE (men schrijft gewoonlijk KEETE) Men schrijft ê, blijkens de hedendaagsche dialecten. WBD III.4.4:245 keet = lawaai; K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KEET hut; Kiliaen 'keete'. Hier van daan 'bakkeet'. Bont ke.t, zelfstandig naamwoord vr. 'keet' - klein woonhuis, geringe woning; kiet; V keet; minachtend voor: huis of andere ruimte; V hil de kiet stao ooverhôop; kitje; keetje; verkleinwoord van 'kêet', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
keet , kieët , keet
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut