elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kat

kat , kat , katte , Sprw. Zen dien katte hen England, as ze trügkomp zeg ze miaau! = Wat Jantje niet leert, leert Jantje nooit. Het Gron. heeft het ook, maar daar zooveel als: die persoon zal nergens wijsheid of beschaving opdoen, hij blijft een stommerik of lomperd.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kat , katte , (vrouwelijk) , katten , kat.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kat , kat , katte , Zegswijs: doar is wat an dat de kat nijt lust, zooveel als: pas op, brand je mond niet, ’t is heet; (zie: boer); doar is de kat in ’t goaren = daar is de boel in de war, daar zijn de poppen aan ’t dansen. Vergelijking: flou (of: flau) as ’n kat = flauw, neiging hebbende tot braken. Spreekwoord: Stuur dein katte noa Engeland, as hij weerom komt zegt’e miaau! = die persoon zal nimmer beschaving, wijsheid of wetenschap opdoen, hij (of: zij) is er te dom voor; ook Drentsch. – Oostfriesch Stür ’n katte na England, se sal as katte wêr komen, ook: Stür ’n katte na England, se sal mau seggen, even se wêr kumd. – As de kat op ’t spek bōnnen zit wil ’e nijt vreten = wat gemakkelijk te verkrijgen is, wat men maar voor ’t grijpen heeft, wordt weinig op prijs gesteld. Vooral wordt dit gehoord wanneer het vrijerij betreft. Zie ook: brei.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kat , kat , (zelfstandig naamwoord) , 1) Huiskat. – Zegsw. Ik moet an de kat of an de kees (kaas); oorspronkelijk een muizenverzuchting, doch thans gezegd door iemand, die voor een moeilijke keuze staat en niet weet wat te doen. – Hij heeft er de zwarte kat gezien, hij vermijdt die plaats, hij komt er nooit. || ’t Is of je de zwarte kat bij me ’ezien hebbe (hebt), je komme (komt) nooit meer. Volgens het volksgeloof verschijnen heksen meestal in de gedaante van een zwarte kat. Waar dus de zwarte kat verschijnt is het niet pluis. Vgl. verschillende dergelijke zegsw. bij HARREBOMEE op kat. Ook die op gelukkig, slapig en vogel. 2) Poesje, halsbontje dat van een kattevel is gemaakt. 3) In een oliemolen. Een langwerpig-vierkant zwaar blok ijzer onder de haai. 4) In verkl. katje, een gekatte koopmanschap. Zie katten. || Hij heb gister zijn eerste katje gehad (van een pasbegonnen patroon, die voor het eerst goed heeft aangekregen, dat hij weigert te accepeteren). Vgl. de samenst. meerkat, en zie de volgende artikels.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kat , kat* , zie ook brei *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kat , kattĕ , kat.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kat , kat , katte , ketje , kat, Kat noch kogel hebbe, niets bezitten. Wie ein kat in ein vraemp pakhoeës, zich niet thuis voelen. Det is gennen kattendrek, het is geen kleinigheid.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kat , katte , vrouwelijk , katten , kättien , kat. A-i de katte op et spek beendt, vret he het niet. Ziene katte is biätter as aondermåns kou.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kat , [meisje] , kat , studentenkat, meisje dat met studenten uitgaat (1886).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
kat , katte , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , katn , katjen , poes. Iej konn wa meann, dat de katte gaanznàjr lear, je kunt wel denken dat je neus van koek is
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kat , kadde , 1. kat. 2. vrouwtjeskat
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kat , kat , zelfstandig naamwoord de , Afleiding van katte = afsnauwen, in de zegswijze ’n kat kroige, een grauw, snauw of sneer krijgen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kat , kat , zelfstandig naamwoord de , 1. Huiskat. 2. Halsbontje. Zegswijze kat achter kat, de een na de ander. | Ze kwamme kat achter kat opperdan. Hai ving ze kat achter kat. Vgl. Fries kat efter kat. – De kat is goed ziek, de zaak staat er slecht voor, het ziet er slecht uit. – Je kenne an de kat of an de keis, je kunt kiezen of delen. Oorspronkelijk een zogenaamde muizenverzuchting. – Stuur de kat nei Engeland en hai zoit ‘mauw’ as ie veróm komt, gezegd met betrekking tot hardleerse lieden of een tot mislukken gedoemde zaak. – Je konne deer gien kat an z’n steert deurtrekke, het was daar mudvol. – ’n Dolle kat ken deur ’n kloin gaatje. 1. Een kat in het nauw maakt rare sprongen. 2. Wie per se iets wil bereiken, is soms in staat het schijnbaar onmogelijke te doen. – De kat zit op aaiere, gezegd van iemand met onverwachte trouwplannen, met name van iemand van wie men nooit had verwacht, dat hij of zij zou trouwen. – De kat in de bak (in ’t bakkie) hewwe, zijn zin hebben, zijn doel bereikt hebben. – De kat moet van de stoel, gezegd als iemand met veel geld thuiskomt en dus zeer welkom is. – De kat in de gerdoine hale, moeilijkheden uitlokken of veroorzaken. – ’n Kat op ’t ois brengt de winter van de wois, een kat op het ijs voorspelt dooi. Verkleinvorm meervoud katjes, in de zegswijze de katjes benne goed greêuw, de gelegenheid is gunstig. Eigenlijk het is goed donker, dus niemand ziet je.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kat , katje , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze ’t hêle katje, het hele zootje, de hele boel.| Hai bedaarde mit ’t hêle katje te water. Mogelijk is katje hier ontleend aan Bargoens kat = o.a. buit bij diefstal. Zie Enno Endt ‘Bargoens Woordenboek’, blz. 59, onder kat, de-.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kat , ketjes , mieskes.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kat , katte , kättie , kat; * doar is ok wat bie det de katte niet lust: pas op dat je de mond niet verbrandt.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kat , kat , katte, kadde , de , katten , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook katte (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), kadde (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. kat Op een boerderij moej een goeie kattewacht af hebben aans stik ie in de moezen (Hijk), Een katte komp altied op zien pooties terechte (Wsv), Hie vindt de kat in de pot de hond (Sle), Hij kik de katte eerst uut de boom wacht af (Pes), Hij knip de kat in het duuster (Pei), Zij leven, ...vechten as kat en hond (Klv), Hij hef de katte op het dak zitten er is onraad (Dwi), De kat de bel anbinden (Gas), IJ moet de kat niet op het spek binden de zaak aanlokkelijk maken (Emm), Een katte in de zak kopen (Hol), Der zit wat in dat de katte niet lust als iets erg heet is (Die), Hij hef de kat in de gerdienen heeft een probleem (Bro), De katte in het gaoren jaegen iets in de war brengen (Dwi), Hie löp er umtoe as een kat um de hiete brij (Oos), De katte is uut spinnen er is spinmaal, zodat de jongens op visite kunnen komen (Dwi), Hij is zo vals as een katte (Bov), ...zo ziek, ...zo mislijk as een katte (Ruw), Hij is zo schone as de katte op zaoterdag (Flu), Hij is zo nat as een verzopen kat (Eex), Hij wet er net zoveul van as een katte van de zeundag (wb), Hij zingt as een katte die achterneers van de balken valt (Hijk), Net een stel jachtse katten van vrouwen met veel lawaai (Sle), Dat is net een jachtse kat van een meisje dat veel bij de weg is (Pdh), Hij stun te kieken as een kat in een vrömd pakhoes (Gie), Kattien van mien beumpien of spel, soort boompje verwisselen (Pdh), Kattien kuzeln ouderwets jongensspel, soort ‘klootslaan’ (N:ti), Zie speult kat en moes op het schoelplein (Sle) 2. gebekt, vinnig meisje Dat buurwichie van ons dat is ain echte kadde (Vtm), Dat is gien kattie um zunder haansen an te pakken (Hgv) 3. soort anker voor het vastzetten van een schip in de wal van een wijk (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) *Aj de kat op spek bindt wil e niet vreten (Coe); Aj de kat an het spek bindt (Eli); As de katten moest mauwt ze neet (Rol); As de kat zuk wast komt er vaak een gast (Scho), … kriew mooi weer (Sle); As de katte deur de zolder mig kom er règen (Ruw); Het gef niet veul oj deur de kat beten wordt of deur de kater (Pdh), … deur een katte of een hond beten wordt (Dwi); As de katte van huus is daanst de moezen op de taofel (Mep), …viert de moezen feest (Dro); In het donker bint alle katties grauw (Die); Een kat in net nauw maokt raore sprongen (Eev); Zwarte katte met witte poten / Aj hum niet vangen kunt laot hum dan maor lopen als antwoord op watte? (Hijk); Lig de katte de hele dag op de stoel / Reken dan op een natte boel / Dreit de katte de rugge naor het vuur / Reken dan op weer kold en guur (Flu); Oes kat hottefot / Had de poot otefoot / Oet het lid hittefit / Toen kwam smid ittefit / En zette oes kat hottefot / Zien poot otefoot / Weer in het lid ittefit opzegversje voor kleuters (Odo), zie ook bij kattien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kat , kat , kat. verkl. kètje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kat , katte , 1. kat (huisdier). De katte zal met oe mage niet gaon lopen (gezegd als iemand nogal veel gegeten heeft); 2. kattig meisje of kattige vrouw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kat , kétje , poesje , De manne zén hilsenté meej dé kétje ôn't haffele, dé wordt 'n haffelkétje. De kinderen zijn de hele tijd met dat poesje aan het spelen, dat wordt een knuffelkatje.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kat , katte , zelfstandig naamwoord , de; 1. bep. huisdier: kat 2. katachtige 3. vinnig, te bijdehand meisje of vrouw 4. zaklantaarn die op een dynamo loopt, knijplamp
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kat , kat , uitdrukking , De hand annen kat houwe De kat steeds verwennen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kat , katte , (zelfstandig naamwoord) , kättien , kat, poes. Uitdr.: Döör is wat bi’j wat de katte niet lust ‘hete drank of soep’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kat , kat , (vrouwelijk) , katte , ketje , kat , Dae moogs se allein de kat lieëne: hij is niet te vertrouwen. Det is ei ketje: een vals meisje. Es dich dao de kat mer neet aan kumtj: als dat maar goed afloopt. Höbs se de kat good gevoordj?: gezegd om goed weer af te roepen. Zèt de kat neet bie ’t spek.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kat , kat , zelfstandig naamwoord , kètje , kat, poes; H. van Rijen (1988): de kat moet van de stoel - wordt gezegd als er iemand voor de eerste keer met een loonzakje thuiskomt (ook worden dan b.v. de pantoffels klaargezet); Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  As ónze kat en koei was, dan kónde gij ze mèlke (Pierre van Beek – -Tilburgse Taalplastiek 1964) - reactie op herhaalde bezwaren (..ja, maar als . ..); Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  agge de kat nòr Èngelaand stuurt, dan maawt ze as ze terugkómt (Daamen - Handschrift 1916: ) Als je een domoor wegstuurt, komt er een sufferd terug. Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  de kat slèpt meej den bukkem (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '64) gezegd v.e. verliefd paartje; Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  de kat was vannaacht weer óp den Finkelenbèèrg (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - de kat is de hele nacht op sjouw geweest. Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  en kat gao nôot mee en leege maog van hèùs (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - men moet eten voordat men van huis gaat. Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  een katje krabt em nie (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '72) - die is niet bang uitgevallen; Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  zó flauw zèèn dègge wèl katte kunt spouwe (Daamen - Handschrift 1916: ) - erg misselijk zijn. Frans Verbunt:  et is gin klèèn kat dè en pond schèt; kètje; verkleinde vorm; katje; Dialectenquête 1876 - 'n hundje en ’n ketje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kat , kat , katte , ketje , kat
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut