elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kasteel 

kasteel  , ketstiël , kasteel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kasteel , kastäil , onzijdig , kasteel. ’n Kastäil vån ’n hüs.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kasteel , kastiel , kasteel, kasteil, ketiel , het , kastielen , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook kasteel (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), kasteil (Kop van Drenthe), ketiel = 1. kasteel Wij hebt in Coevern een kastiel (Coe) 2. groot huis Wat hebben die mensken een kastail van een hoes (Rod), Die man hef der ook een groot kesteel staon (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kasteel , kesteel , kasteel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kasteel , kesteel , kasteel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kasteel , kesteel , zelfstandig naamwoord , et 1. burcht, middeleeuws kasteel 2. kasteel bij het schaakspel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kasteel , kestiejel , kasteel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kasteel , kestilleke , kasteeltje
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
kasteel , kesteel , (zelfstandig naamwoord) , kasteel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kasteel , kestieël , (onzijdig) , kestieële , kestieëlke , kasteel , Kestieël Hagebrook.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kasteel , kastêel , zelfstandig naamwoord , kasteel; D. Boutkan (1996): (blz. 51) kastêel – kastiltje; kestêel; kasteel; dim: kestiltje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
Kasteel , Kasteel, het , Spartastadion
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
Kasteel , Kasteel , Spartastadion in Spangen (1916) van De Roos en Overeijnder, woongebouw op de hoek Brede Hilledijk en Joubertstraat, voormalig hoofdkantoor van Thomsen’s havenbedrijf (1903) van J.P. Stok Wzn. (1862-1942), voormalig machine- en ketelhuis op het Drinkwaterleidingterrein
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
kasteel , kestie~l , kestie~le , kestie~lke , kasteel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut