elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kastanje 

kastanje , korstanjes , Karstangien.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
kastanje , koestannies , kastanjes, Gron. (van kinderen, enz.) koestanjes.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kastanje , kastanjes , in: d’r gijn kastanjes van hebben = er geen verstand van hebben, in dat vak, enz. onkundig zijn. Zal eene geestigheid zijn en wel eene woordspeling met verstand!
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kastanje , karsteng , kastanje, kerstang, kersteng , (met klemtoon op steng) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast ook kersteng en kerstang. Kastanje. || Wilde karstengen. Een uitgeholde kerstang. Een Engel … in de eene hant een tackie van kerstenge kluer (kastanjekleur) en in de ander hant een bluym (pluym), Journ. Caeskoper, 14 april 1672. – De vorm carstange, kerstenge, komt ook in het Mnl. voor (Mnl. Wdb. III, 1219). Kersteng vindt men o.a. ook bij BREDERO, Moortje 1486. Vgl. Taal- en Letterb. 1, 267.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kastanje  , kestaanjel , kastanje.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kastanje , kastanje , 1. kastanje. 2. zwilwat = uitwas aan paardebeen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kastanje , karstanje , zelfstandig naamwoord de , Variant van kastanje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kastanje , kestanjel , kastanje.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kastanje , kestannie , zelfstandig naamwoord , kastanje.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kastanje , kestanje , koestanje, koestannie, kastanje , de , kestanjes , Ook koestanje (Zuidoost-Drents zandgebied), koestannie (wm), kastanje (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = 1. kastanje Een kestanje in de buus is goud veur rimmetiek (Row), …veur aj het in de rogge hebt (Hol), Een makke kestanje kuj eten zo of even op de kachel leggen (Eex), Een tamme kestanje (Flu), Hij löt vake een aander de kestanjes uut het vuur halen er voor opdraaien (Mep) 2. kastanjeboom Een kastanje is het mooist as hij bluit (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kastanje , kestanje , kastanje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kastanje , kestanje , koestanje, kestänje , kastanje. Gunninks woordenlijst van 1908: kestänje
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kastanje , kestônnies , kastanjes , In't naojaor gôj ik aalté kestônnies raope, daor maoke ze middelciine van. In het najaar ga ik altijd kastanjes rapen, daar maken ze medicijnen van.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kastanje , kestanje , kestanjer , zelfstandig naamwoord , de; 1. vrucht van de tamme kastanje 2. niet eetbare vrucht van de wilde kastanje 3. kastanjeboom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kastanje , kerstaier , kestaaier, kestaier , zelfstandig naamwoord , kerstaiers, kestaaiers, kestaiers , kerstaiertie, kestaaiertie, kestaier , [O] kastanje Ook kestaaier [Num], kestaier [O]
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kastanje , kestanje , kastanje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kastanje , kestanje , (zelfstandig naamwoord) , (wilde), kastanje.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kastanje , kustonnies , kastanjes , in d’n baomus gienge we altij kustonnies raope = in de herfst gingen wij altijd kastanjes rapen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kastanje , kustanje , kastanje , Tamme kustanjes kónde râpe in d’n dokter zunnen hof. Tamme kastanjes kon je rapen in de tuin van de dokter. Deze tuin was aan het Houtrijk gelegen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kastanje , kerstannie , zelfstandig naamwoord , kastanje (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kastanje , kestaanjel , kerstaanjel , (vrouwelijk) , ke(r)staanjele , kastanje , Doe höbs taam en wilj ke(r)staanjele. Ke(r)staanjele rape.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kastanje , kastannie , kerstannie , zelfstandig naamwoord , kastanje; Daor hedde nog hille woude van tamme kastannieboomen, haozelnote en zukke getuig. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); H. van Rijen (1988): der laage ne maacht kastannies - veel; H. van Rijen (1988): 'kestannie'; WBD kastannie - paardekastanje, kastanje (Aesculus hippocastanum); Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): 'kestannie' zn - kastanje; zie ook kerstannie; kerstannie; kastanje; - …m’n zakke vol kerstannies en haozelnote… (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); zie ook kastannie
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kastanje , kestanjel , kestanjels , kastanje
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut