elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gasconnade

gasconnade , kaskenade , verwaande manier.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
gasconnade , kaskenade , Wind, ophef, boha, grootspraak, enz.; kaskenademaker, windbuil, grootspreker, grootbroek, pocher, snoever, zwetser, blaaskaak, snorker, die zich grooter uitgeeft en voordoet dan hij werkelijk is, zoo dat, hoe breed hij van zich en zijne afkomst opgeeft, het op stuk van zaken op niets dan windzakkerij neêrkomt. De verklaring en herkomst dezer woorden ligt voor de voeten. De Gaskonjers stonden vanouds bekend als eerste grootsprekers of zwetsers, die men uit hoofde van deze ondeugd (of moet ik het gebrek heeten?) niet alleen bespotte, maar, als de gelegenheid er zich toe aanbood, ook gaarne eens beet nam, zoo als men o.a. kan zien in de bekende Contes van la Fontaine, wien ze stof leverden tot zijn ‘le Gascon puni.’ Liever echter dan daaruit aanhalingen te doen, geef ik ‘een gaskonnade’ van onzen geestigen Langendyk (Ged. III, 451) luidende: ‘Een arm verwaand Gaskon, in Amsterdam verschenen, / Stond schreijend voor ʼt stadhuis. Men vroeg hoe zyt gy mal. / Ontroerd u dit gezicht? Ja sprak hy, ik moet weenen, / Zo net gelykt dit huis myn vaders paerdestal. / Indien ik in myn land weêr mocht aan ʼt bouwen raaken, / Zou ik de staldeur wat aanzienelyker maaken.’ Van dat verwaande volkje zijn in de Fransche taal dan ook de spreekwoordelijke uitdrukkingen ontleend, als bij v. ‘cʼest un trait de Gascon’ enz. en de woorden gasconade of gasconnade (‘cʼest une gasconnade‘) en gasconner, alle welke het wel niet noodig zal zijn te verklaren, daar men er de beteekenissen van, ook buiten de woordenboeken om, na het aangevoerde, gemaklijk zal gissen.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
gasconnade , kaskenoade , katsgenoade , nog meer verbasterd katsgenoade, in: ’n hijl bult kaskenoade hebben = veel bestels hebben, vele en daarbij ongegronde aanmerkingen maken; ook: zijne ontevredenheid op ruwe wijze lucht geven; “wat moak ie doch ’n kaskenoade om niks!” Zuid-Holland kaskenades = onaangename drukte. – Verbastering van: gasconade = pralerij, snoeverij, grootspraak.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gasconnade , kasgenade , Gasconnade, drukte, lawaai. Maak tòch zon kasgenade n(i)eet jonges! Ook N.-Br. O. V. I p. 208. Gron. kaskenaode.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
gasconnade , kasgenade , Gasconnade, drukte, lawaai. Maak tòch zon kasgenade n(i)eet, jonges! Ook N.-Br. V. I., p. 208 Gron. kaskenaode.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
gasconnade , kaskenade , opsnijerij.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gasconnade , katsgenaode , o , het hele hebben en houden. [Lan]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gasconnade , kèskenaoj , zelfstandig naamwoord , opschepperij. Ook: kèskenaode. Een toneelgroep uit Middelbeers heet Kèskenaote. Waarschijnlijk méér uit waardering voor dit zeer typische Kempische woord, dan uit opgetogen aanvaarding van zijn betekenis. Want de leden zijn allesbehalve Kèskenaodemaokers (bluffers, opscheppers). Het woord komt waarschijnlijk van het Franse “gasconade”, dat ophef, drukte, verwaandheid betekent. De Gasconjers zijn berucht om deze eigenschappen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
gasconnade , kasgenade , zwetserij, verbeelding. kasgenade maken, opscheppen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
gasconnade , kaskenazie , kaskenade , drukte, pocherij. Ook: kaskenade
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gasconnade , kâskenade , drukte, herrie. Maek toch niet zo’n kâskenade um zon kleinegheid.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gasconnade , keskenaode , vervelend doen, iemand lastig vallen, plagen, pesten , hou op meej oew keskenaode = hou op met dat geplaag-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
gasconnade , wâ hëdde toch un kaskenaode , wat heb je toch een koude drukte
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
gasconnade , kaskenade , drukte (Wezep).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
gasconnade , kasgenaate , kaskenade, kaskenaoi, , zelfstandig naamwoord , opschepperij (Helmond en Peelland); kaskenaode; opschepperij (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
gasconnade , [drukte om niets] , kiskenades , drukte om niets , Maak neet zoean kiskenades: stel je niet zo aan!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gasconnade , kaskenaade , kaskenoj, kèskenaoj , zelfstandig naamwoord , "blufferige drukte, opschepperij; noten op z'n zang, pretenties, praatjes; WTT -2012 - Van Frans. 'gasconnade': grootspraak, opsnijderij, snoeverij (als van Gasconjers, bewoners van de Gascogne). De toeschrijving is waarschijnlijk zeer willekeurig. Pierre Germa schrijft in 'Du nom propre au nom commun, dictionnaire' over 'gasconnade': Synonyme de fanfaronnade, de vantardise, de hâblerie, comme en seraient coutumiers les Gascons, selon une croyance répandue dont; on peut discuter le bien-fondé.' De toeschrijving is mogelijk het gevolg van het feit dat de Gasconjers tijdens de Franse Revolutie het hoogste aantal soldaten geleverd hebben. Rey (Dictionnaire historique de la langue française), dateert de toeschrijving in de 17de eeuw: 'Le mot s'est employé au figuré de façon péjorative (1622) pour parler d'une personne qui a les traits que l'on attribuait (...) aux Gascons, supposés vantards et malins.'; Schuermans (Algemeen Vlaams Idioticon; 1865-1870): KASKENADEN, mv., verwaande manieren, gekke streken. Een kaskenademaker, iemand die verwaande manieren heeft, die gekke streken uitzet (Antw. Limb.). Van 't fr. gasconnade, snorkerij; zwelserij (in Br. snakerij). R Ge moet nie zóveul kaskenaoj hèbbe, gij. Daamen - Handschrift 1916:  ""kaskenoade - ze hee wè kaskenoade (opsnijderij)""; Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  'kaskenaode'; ""Ze mos niks hebben van swiet en kaskenaode mèr vur de kleeraozie kwaam ze op. We moesten er pront opstaon."" (A.J.A.C. van Delft, uit: ‘Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect’; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956); Cees Robben - Wè d’ ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade... (19560512) [De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor ‘het oog van het kerkvolk’ gemaakt werden.]; Cees Robben – Wè heej ze toch veul kaskenaade... (19561215); Cees Robben – Gij meej oe kaskenaade.. (19661021); Van Beek - ""kaskenaode"" is opschepperij. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958); Witt. 'keskenaode (S.G. 362, 90, 111, 237, 273, 330); Zôo lèève zonder kaskenaoi/ dès schonder èn veul rèèker./ Dan gaoder grôot op agge heurt:/ daor gao ene Krèùkezèèker. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Lòt ze’t mar heure‘); Frans Verbunt:  'kèskenaode' - verbeelding; Bosch kaskenade - opschepperij, verbeelding; Hees kassekenade (II:11); Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): 'kèskenaoj zn - opschepperij; Verhoeven (1978):  KASKENADE (kèskenaot) v. gasconade, opschepperij. Z.a. Bont kask?no.d? zelfstandig naamwoordvr. 'kaskenade' resp. 'kasgenaai' d.i. gasconnade, opschepperij, pralerij, aanstellerige drukte. Antw. KASGENADEN, KASKENADEN zelfstandig naamwoord v.mrv.   - drukte, lawaai, beslag; van Fr. gasconnade; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kasgenaade, kaskenades (mv.) - koude drukte, zwetserij; WBD III.1.4:171 'gasconnade-tjes veil hebben' = zich heel wat inbeelden; WBD III.1.4:174 'gasconnade' = pralerij; WBD III.1.4:389 'gasconnade maken' = koude drukte maken; Frans Verbunt:  kèskenaode - verbeelding; Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): kèskenaoj - opschepperij (ook: kèskenaode); Haor kèshenaodemaokers - opscheppers"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut