elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: karwei 

karwei , karrewei , (mannelijk) , karreweien , arbeid, werk, bezigheid. Hij gaat weêr aan de karrewei. Daar is wat aan te karreweien. Een klein karreweitje.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
karwei , karwei , (onzijdig) , werk.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
karwei , kêrwai , karwei , (verkleinwoord kêrwaikês), voor: werk, arbeid. Bij Weil. v. Dale, de Vries vrouwlijk wordt hier altijd onzijdig gebruikt, ook in fig. zin. Zie ook onder art. koater 2.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
karwei  , kerwei , karwei.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
karwei , kerwaai , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze ’t kerwaai is plat, het werk is af.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
karwei , karwai , de , karwaien , (Midden-Drenthe) = klap Zal ik dij een karwai verkopen daj het niet naovertellen kunt? (Wed)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
karwei , karwei , karwai, karwaai , het , karweien , Ook karwai, karwaai (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = karwei Het is een heel karwei um dat klaor te kriegen (Klv), Die man döt alle karweigies in huus zöls (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
karwei , kerwei , karwei.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
karwei , kärwei , (Gunninks woordenlijst van 1908) karwei
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
karwei , kerwei , karwei
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
karwei , kerwaoj , karwei , Vur diejen inrit kun'de bèèter ne kaojelègger vraoge, t’is un hil kerwaoj. Voor die inrit kun je beter een keienlegger vragen, het is een heel karwei.
Verkleinvorm meervoud kerwaojkes. Diejen aauwe van óns die knapt zóó links én rééchts nogal wa kerwaojkes óp. Die vader van ons die knapt zo links en rechts nogal wat karweitjes op.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
karwei , kerwei , zelfstandig naamwoord , et 1. karwei, taak die moet worden verricht 2. in op kerwei elders, in het verborgene, geslachtsgemeenschap bedrijvend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
karwei , kerrewaai , karrewaai , zelfstandig naamwoord , kerrewaaie , kerrewaaichie , karwei Keegele is een smereg kerrewaai De beerput legen is een smerig karwei Ook karrewaai
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
karwei , kerwèìj , karwei
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
karwei , kärwei , (zelfstandig naamwoord) , kärweigien , karwei.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
karwei , kurwèèj , karwei , ’t Kurwèèj is plat én dè’s mèr goewd ók. Het karwei is klaar en dat is maar goed ook.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
karwei , kerwaai , zelfstandig naamwoord , karwei (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
karwei , kerwaaj , zelfstandig naamwoord , kerwaajke , karwei; Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  karwaaike; 'kerwaaike'; Cees Robben – ’n Schôôn kerwaai (19600520); Cees Robben – Aon dè kerwaai gevrukt... (19830401); Bij de miste kerwaaikes, wies ik er men èège aaltij wel onderöt te draaie, omwaasse deej ik wel ôot mar dè blééf beperkt tot afdreuge. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); WBD III.3.1:400 'korveeën' = karweien (onbetaalde arbeid verrichten aan de openbare wegen); WBD III.1.4:356 'heel karwei' = last, moeilijkheid; ? eufemisme voor een reu die een teef zoekt; Cees Robben – M’n hundje is weggelôôpe (...) Ik denk dettie op kerwaai is (...) ’t is ’n menneke... (19710730)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut