elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kakelen

kakelen , kakelen , wordt in de meeste streken van ons vaderland gebruikt in den zin van veel praten, met het bijdenkbeeld van zaken die weinig of niets te beduiden hebben. Hier echter bedoelt men er meê hakkelen, stotteren.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
kakelen , kaokeln , Sprw. Hij kaokelt vrög maor legt laot = hij wil altijd vroeg opstaan, maar komt steeds laat.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kakelen , käokelen , (zwak werkwoord) , kakelen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kakelen , kèkelen , (sterk werkwoord) , kakelen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kakelen , kaekele , ruzie maken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kakelen , kääkelen , zwak werkwoord , kakelen. Kääkelen is niks, meer äier läggen: praatjes vullen geen gaatjes.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kakelen , kùekln , werkwoord, zwak , kakelen; kùekln mer gin àjr leg’ng, veel geschreeuw, maar weinig wol; kùekln as n nuchtr kalf, praten als een kip zonder kop
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kakelen , kakele , werkwoord , in de zegswijze kakele is (nag) gien aaiere lègge, praten is gemakkelijker dan doen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kakelen , keikele , werkwoord , Variant van kakelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kakelen , kökelen , kakelen van de kippen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kakelen , kakeln , kaekeln, kaokeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook kaekeln (Zuidwest-Drenthe, noord), kaokeln (Noord-Drenthe) = 1. kakelen Der komp weer een eigie de kiepen bint weer an ’t kaekeln (Die), De kippen kakelt mèer dan dat ze eiger legt krek as de meeste meinsen (Hijk), Die gaanze begunt direct te kakeln aj in de buurt komt (Pdh) 2. druk praten, vooral van vrouwen Die wieven zit bij elkaar te kakeln en hier geldt ok dat kakelnde kiepen niet legt want zolange as ze kakelt doet ze niks (Hol), Ie kunden der niks van verstaon zie kakelden allemaol deur mekaar hen (Bov) *Achternao kaokelt de hoender achteraf komt het commentaar (Bal); Kaokeln is nog gien aier leggen (Zui), zie ook bij kekel(-)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kakelen , kekeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. hard en druk praten (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) Moej die vrouwlu weer heuren kekeln (Sti) 2. ruziën (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Kop van Drenthe) Dai hebben aaltied wat de kekeln (Vtm), Ze zatten aal wat tegen mekaor an te kekeln (Row), (wederk.) Dei baiden kekelt zuk altied (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kakelen , kakelen , kakelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kakelen , kaekeln , kakelen. Die vrouwluu heb der wat ofekaekeld.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kakelen , kaokele , kletsen , Die méijde die kaokele wa af zèg, m'n órre zón'ner van gôn toete. Die méiden die kletsen wat af zeg, mijn oren zouden ervan gaan tuiten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kakelen , kaekelen , kaokelen , werkwoord , 1. kakelen (door kippen) 2. kletsen, druk en luid praten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kakelen , kaokele , gekaokel , 1. kakelen, 2. door elkaar praten , 1. d’n aon die kraait en de kieppe die kaokele = de haan kraait en de kippen kakelen - 2. hoor ta gekaokel toch is aon = luister nu toch eens naar dat gekwetter- hou’doe gekaokel, ge kun niks verstaon = doe wat rustiger aan, je kunt niets verstaan- ’t gekaokel van al die vrouwe leek net ’n tietekwooj vol tiete = het door elkaar gepraat van al die vrouwen leek net een kippenkooi vol kippen
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kakelen , kaokele , zwak werkwoord , kaokele - kaokelde - gekaokeld (geen vocaalkrimping); kakelen (als een kip); Cees Robben – [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee ’n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709); Kaokele as un kiep, de wel dè. Mar aaijer legge, ho mar! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990); WBD (Hasselt) geluid voortbrengen (van een kip); Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): zonder ophouden babbelen; Frans Verbunt:  hij kaokelt wèl, mar leej gin aajer; WBD III.2.2:69 'kakelnestje' = jongste kind; Verhoeven (1978):  KAKELEN (Kaokele) onov.ww - is behalve voor het geluid van een kip en 'door elkaar praten' het gewone woord voor: hakkelen, stotteren. WNT KAKELEN - B) van menschen: a) luid en druk praten; klappen; ijdelen of laffen praat uitslaan; enz. Z.a.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut