elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kajuit 

kajuit , kejuut , kajuit. Vgl. oa.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kajuit  , kejuit , kajuit. Alde kejuit, oud vervallen huis.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kajuit , kajuit , kejuit , de , kajuiten , Ook kejuit = 1. kajuit 2. huis (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Daor stiet nog zo’n aolde kajuit (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kajuit , kejuit , kejuut , kajuit
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kajuit , kejuit , zelfstandig naamwoord , de; 1. kajuit op een schip 2. wonderlijk bouwsel, gekke verblijfsruimte 3. in de kejuit in naar bed
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kajuit , kejuit , (zelfstandig naamwoord) , kajuit.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut