elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kaduuk 

kaduuk  , kedük , bouwvallig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kaduuk , keduuk , kapot, stuk [Oef]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kaduuk , keduuk , röstig, kalm: hal ów keduuk! (WLD III 1.4, 94)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kaduuk , kaduuk , kadoek , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook kadoek (Zuidwest-Drenthe, zuid) = kapot Dat hej as de jongen der mit speulen Nou is het helemaole kaduuk kedoes (Hgv), Die is kadoek (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kaduuk , keduuk , kapot, bouwvallig.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kaduuk , keduuk , stuk , Dé mooterke dé wèrkt nie mér, dé's keduuk, héij likt óllie, frot'ter mér nie ôn. Dat motortje dat werkt niet meer, dat is stuk, hij lekt olie, doe er maar niets aan.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kaduuk , keduuk , bijvoeglijk naamwoord , 1. kapot 2. dood
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kaduuk , keduuk , bijvoeglijk naamwoord , kapot (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kaduuk , kaduuk , keduuk , 1. kapot, bouwvallig 2. rustig , Det is ein keduke koeaj: dat is een bouwvallig huis.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kaduuk , keduuk , keduukelek , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , "Frans: caduc; bouwvallig, versleten (ook m.b.t. mensen); R-J. 'die is wah kadukelijk'; Daamen - Handschrift 1916:  ""kaduk - gebrekkig""; Cees Robben – Ik ben zô keduuk... (19550730); Cees Robben – Hij zaag de gedoentes, vervallen, keduuk (19551119); H. van Rijen (1988): zis en keduukelek ineens ònt wòrre - ze raakt versleten"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut