elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gesuis 

gesuis , gezoes , voor: moeite, gemaal, gezanik; doar wi’k gijn gezoes mit hebben; dat gezoes het mie al lank genōg verveeld. Zie: zoezen, en: zoesklöt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gesuis  , gesoes , gesuis.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gesuis , gesoês , o , geruis gesoês in d’ ore is gruwele vervéêlend geruis in de oren is heel erg vervelend.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gesuis , gezoes , gesuis.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gesuis , gesoes , het , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, wb) = gesuis Hie lustert naor het gesoes van de wind (Zwe) 2. gezeur Haarm wol gien gesoes an de kop hebben (Rol), ...an de oren hebben (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gesuis , gesoes , zelfstandig naamwoord , et; gesuis
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gesuis , [het aanhoudend suizen] , gesoes , (zelfstandig naamwoord) , gesuis. Wat eur ik toch veur een gesoes.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut