elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gerei 

gerei , gerei , voor gereedschap.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
gerei , gerei , (onzijdig) , gereedschap, paardentuig.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gerei , gerei , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Bij vissers. De lever en kuit van kabeljauw en leng. || We verkopen ’et gerei ook. – Vgl. (?) Ned. gewei, geweide, ingewand (Ned. Wdb. IV, 2030). Men schijnt echter alleen de vorm gerei te kennen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gerei , geraide , gerei of gereide = paardentuig en toebehooren, staat vermoedelijk met “gareel” in verband; hiervan geraidekast; vergel. halsbou *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gerei  , gerei , artikelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gerei , geräi , onzijdig , gerei, tuig. Peerdegeräi: paardetuig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gerei , geràj , zelfstandig naamwoord, onzijdig , 1 benodigdheden, 2 paardetuig, 3 soort goed. Mooi geràj maakng, een goede uier krijgen, van koe
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gerei , gréêj , o , kleren Trékt ow goei gréêj mar uut en doet ow swerkendags gréêj mar án!. Trek je goede kleren maar uit en doe je werkkleding maar aan!; goej gréêj zondagse kleren; het mindere volk Wa ge daor op dè kamp allemól vör gréêj ziet rondlopen i
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gerei , grej , spul, ván alles wat.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
gerei , geréj , voorwerpen die voor het verrichten van werkzaamheid nodig zijn, vgl. gereedschap.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
gerei , grei , spul, gerei.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
gerei , grei , spoel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gerei , gerei , geraaide, gerai, geraaid , Ook geraaide (Kop van Drenthe, bet. 4.), gerai of geraaid (Kop van Drenthe) = 1. tuig, ook paard en wagen Wi’j het gerei klaorleggen, dan kow anspannen (Ruw), Dat peerd hef mooi gerei an (Bov), Vrogger gungen ze mit een mooi gerei naor de karke, mar nou bint het allemaole auto’s (Koe) 2. gereedschap Hij hef goed scharp gerei (Wes), zie ook reive 3. spul (Zuidwest-Drenthe) Daor zit van allerlei gerei in gezegd bij het koken (Sle), Wat is dat toch veur gerei? (Hgv), Ie hebt mooi gerei bij oe, maor ik bin niks neudig bijv. tegen iemand die met stoffen etc. langs de huizen gaat (Ruw), Aj gaot vissen, wat hej dan eigenlijk een gerei bij oe (Zdw) 4. uier Dat beist zit mooi gerei onder (Bov), Die vèerze har een mooi gerei maakt (Hijk) 2. gareel (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), in in het gerei lopen in het gareel lopen (Klv) en Hij is ok altied in het gerei is altijd druk bezig (Pdh), zie ook gereel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gerei , grei , gereedschap; wa’s dà vèur grei?, wat is dat voor spul?
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
gerei , gerei , gerei. Ook: gerak (Kampereiland, Kamperveen). Zien gerak ebben, of: zien gerak krîêgen ‘van het nodige voorzien zijn’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gerei , gerei , gereedschap. Met ’t melkgerei op de kaore naor ’t land.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gerei , grei , stof voor kleding. Waor heb iej dât grei eköf.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gerei , gerèèj , gereedschap , És ge óp kerwaoj gô moet'te hil'lew gerèèj meejnèmme, mistal héd'det geliik nóddeg. Als je op karwei gaat moet je al je gereedschap meenemen, meestal heb je alles nodig.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gerei , gerei , gereide , zelfstandig naamwoord , et 1. paardentuig, vaak alleen dat voor feestelijke gelegenheden en voor de zondag 2. linnengoed, aardewerk en soortgelijke benodigdheden voor de huishouding 3. benodigdheden voor het melken 4. gereedschap om mee te timmeren, boerengereedschap e.d. 5. uier 6. echtgenote 7. kleren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gerei , grèìj , gereedschap
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
gerei , grèèj , spul, gerei
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
gerei , geraai , gereedschap
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
gerei , [kleding] , grei , gerei , 1. kleding; 2. stof, goedje, materiaal; 3. gereedschap; 4. aantal mensen; 5. spul(len).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
gerei , grèèj , grej , zelfstandig naamwoord , spullen (Den Bosch en Meierij); grej; spul (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
gerei , geraaj , zelfstandig naamwoord , spullen, gerei, bepaald soor mensen, kinderen; Kees en Bart – Tilburgsche Post ca. 1935 – eetgeraai; WBD III.1.1:216 'gerei', ‘neukgerei', 'trouwgerei' = geslachtsdelen; A.P. de Bont – zelfstandig naamwoord o. gerei; in de weverstaal verstaat men door 'geraei' het 1,5 m lange deel v.d. schering dat de wever telkens strekt; ...die twee waren allebaai van die ras-echte aawerwetsche vertellers, die uren en uren aon den gang kossen blijven over roovers en spoken en heksen en zu'k geraai meer. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’’t Spook’; NTC 3-1-1940); Cees Robben – Daase afgezwabberd pèèp-geraai (19871113) [Daase = van het as]; Cees Robben – Snoep-geraai (19680412); Mar nie allêeneg vur de oudjes./ Èffe goed vurt jòng geraaj. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vèèf jaor  Òns Hèrmenieke)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
gerei , grei , spullen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut