elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gemoed 

gemoed , gemö̂d , (onzijdig) , gemoed.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gemoed , gemoud , (gemoed), voor: gevoel, hart (als zetel van ʼt gevoel); ʼt gemoud is heur vōl = zij is diep bedroefd; mit ʼn vōl gemoud bie tot hier heur graf stoan = met een overkropt gemoed; iemand iets op zien gemoud drōkken (of: drukken) = op het hart drukken; doar wordt ʼt gemoud roemer van = dat verruimt het hart; mit ʼn nöchtêrn gemoud = in niet opgewonden toestand; ʼt gemoud lopt hōm in klōnten, spottend voor: hij wordt weekhartig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gemoed  , gemood , gemoed.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gemoed , gemoud , gemoed. Het gemoud schöt em vol. Eimaond op et gemoud prooten. Ik hebbe eits op et gemoud.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gemoed , gemood , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gemoed. t Gemood skùt miej vol, ik word tot tranen toe bewogen; wat op t gemood hebm, innerlijke drang hebben over iets te praten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gemoed , gemoed , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: boezem, borsten. | Ze het puur zô’n gemoed.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gemoed , gemoed , het , Var. als bij moed = gemoed As ik naor mien gemoed te wark gunk, brak ik hum de bienen (Ruw), Het gemoud zit heur vol ze heeft het er te kwaad mee (Bov), zo ook Het gemoed schöt je vol aj dat almaol heurt (Oos), Soms word je het gemooud vol (Nor), Hij waarkt hum op het gemoed (Dwi), (-) en daorum begunde ze W. op het gemoed te speulen (mc)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gemoed , gemoed , gemoed , M’n gemoed schóót ‘r vól af. Mijn gemoed schoot er vol van. Ik kreeg het te kwaad, ik kon mijn emoties niet meer de baas.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gemoed , móéd , gemoed (welbevinden)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
gemoed , gemood , (onzijdig) , gemoed , Det kumtj ’m aan zie gemood: dat raakt ’m. Op zie gemood wirke. Zie is altied good gemoodj: zij heeft altijd goede zin.: zij heeft altijd goede zin.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gemoed , gemoed , zelfstandig naamwoord , Henk van Rijen –  borst(en); WBD III.1.1:117 'gemoed' = borsten v.e. vrouw
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
gemoed , gemaod , gemoed
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut