elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gemeenlijk 

gemeenlijk  , gemeinlik , gewoonlijk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gemeenlijk , geménlek , meestal , Geménlek wit'tie'jer toch wél raod meej, mér mi dees geval wies'sie ginne raod. Meestal weet hij er toch wel raad mee, maar met dit geval wist hij geen raad.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gemeenlijk , gemienlik , bijvoeglijk naamwoord , 1. gewoonlijk, doorgaans 2. met een relatie van vriendschap en samenwerking, vertrouwelijkheid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gemeenlijk , gemêênlek , bijwoord , gemeenlijk, gewoonlijk; gemêênlang, [Msd] gewoonlijk, gemeenlijk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
gemeenlijk , geméénlek , geménlek , bijwoord , gewoonlijk (Tilburg en Midden-Brabant; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
gemeenlijk , [gewoonlijk] , gemeinlik , gewoonlijk, meestal , Dae wètj gemeinlik alles!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gemeenlijk , gemènlek , gemènlik , bijwoord , gemeenlijk, doorgaans, gewoonlijk, in de(n) regel; Kees en Bart – Tilburgsche Post ca. 1935 – gemenlik (passim); gemeinlijk (passim); Dikke meensen zijn gemenlijk nog al goeiig en gemoedelijk! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun als opvoeder’; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 – 6-4-1940); ...de ondeugden, die daor gemenlijk mee verbonden zijn... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); - Om te begiene wiere we veul laoter wakker as gemenlijk… (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); - Gemènlik duuret nie lang (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); - ‘s Zaoterdags is dè gemenlik te doen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); ’s Zondags is ’t gemènlik kaoi weer... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Cees Robben – Wè denkte gij naa in ’t algemeen bekeken dan gemellik over alles an zôô van ge wit wel..? (19660923); Henk van Rijen - gemènlek schòfte nie òpt heubòrd van de kèèr - gewoonlijk schaft je niet op het kopschot van de kar. CiT (47) 'Gemènlek schófte-n-ie op 't hubbert van de kèr'; A.P. de Bont – gamänlek, bw., 'gemeinlijk' - gemeenlijk, gewoonlijk; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEMEINELIJK bw. -gemeenlijk, Fr. ordinairement
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut