elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gemakkelijk 

gemakkelijk , gemaklik , maklik , Gemaklyk.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
gemakkelijk  , gemekkelik , gemakkelijk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gemakkelijk , gemaklek , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 gemakkelijk, 2 gemakzuchtig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gemakkelijk , gemekkelek , gemakkelijk. zie: mekkelek zie: makkelijk.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gemakkelijk , gemekkelijk , gemakkelijk.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
gemakkelijk , gemakker , makkelijker , Ik hoef nie mér te jaoge óp ménne lèèfté, nouw kriig ik 't ók wa gemakker. Ik hoef niet meer te haasten op mijn leeftijd, nu krijg ik het ook wat makkelijker.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gemakkelijk , gemaekelik , gemaekeliker, gemaekelikst , gemakkelijk
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut