elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geluid 

geluid , gelü̂d , (onzijdig) , geluid.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
geluid , loed , loede , voor: stem, stemgeluid; ʼn gouie loed hebben, schertsend = hard kunnen zingen, schreeuwen of huilen. Friesch lûd = geluid; Oostfriesch lûden, lüden = roepen, spreken, klinken, schallen, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geluid , geluud , geluid, ook Middel-Nederlandsch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geluid , luid , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Geluid, gerucht. || An ’et luid van de haai (hei, in een oliemolen) ken-je horen of-i goed of ’eborsten (gebarsten) is. Het luid deugt niet. – Zegsw. Dat is goed luid, dat is goede tijding. – Zo ook in het Stad-Fri. in (’en) goed <i>luudi>. – In de algemene taal komt het woord alleen nog voor in de uitdr. naar luid van, volgens de inhoud van. In het Mnl. is luut, geluid, gerucht, enz. zeer gebruikelijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
geluid  , geluud , geluid.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
geluid , geluud , geloed , Ook geloed (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. geluid, lawaai Wat maakt dat ding een mal geluud (Eri), Ik hebbe zien geluud nog niet heurd hij heeft nog geen woord gezegd (Hgv), Op het geluud an lopen (Klv), Hij gung op het geloed of (Bov), Hol toch op mit dat ding, dat is jao gien geluud dat klinkt niet (Hol), As ze bij de buren de honden vaort, dan maakt ze een geluud van jewelste (Ruw), Die toeter gef gien geluud meer, of e stuk is? (Eex), As de tillefoon kepot is, komp er gien geluud uut (Dwij), Het geluud is vort gezegd wanneer het geluid van bijv. de televisie wegvalt (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geluid , geluud , geluid
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
geluid , geluud , geluid.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
geluid , geluud , zelfstandig naamwoord , et; geluid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
geluid , geluud , (zelfstandig naamwoord) , gelutien , geluid.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
geluid , gelèùd , zelfstandig naamwoord , geluid; - et was dodstil, der was niks gin gelèùd
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
geluid , geluu~d , geluje , geluudje , geluid
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut