elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gelegenheid 

gelegenheid , gelegenhaid , voor: volksvermaak, inzonderheid kermis of harddraverij; nooit op gelegenheden komen = geene kermissen, enz. bezoeken, van jongelieden gezegd. Staat voor: feestelijke gelegenheid als middel tot kennismaken en het aanknoopen van liefdesbetrekkingen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gelegenheid , gelegenheid , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast gelegentheid. Vgl. VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 31; NAUTA, Taalk. Aant. op Bredero, § 44γ. || Ik zeI ’et bij gelegenheid wel doen. – De vorm wordt ook elders gehoord.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gelegenheid  , gelaeg , gelaegenheid , gelegenheid. Bej gelaeg, bij gelegenheid.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gelegenheid , geliääenhäid , vrouwelijk , geliäägenheeden , gelegenheid. Bie geliäägenhäid
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gelegenheid , gelegenthoid , zelfstandig naamwoord de , Verouderde dialectische variant van gelegenheid.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gelegenheid , gelèèngheid , gelegenheid.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gelegenheid , gelegenheid , de , 1. gelegenheid Uutverkoop is een mooie gelegenheid um koopies te doon (Die), Zo’n gelegenheid kriej nooit weer (Dro), Hie lat gien gelegenheid onbenut um daor op an te dringen (Gro), Hie was in de gelegenheid um een mooi hoes veur een schappelijke pries te kopen (Oos), Ie mut de gelegenheid waarnemen (Hgv) 2. feest, openbare bijeenkomst Aj hum zo ziet, is het een dooie pier. As e op een gelegenheid is, kan e wal (Sle), Bij welke gelegenheid is Jan an de vrouwe ekomen? op welke jaarmarkt (Die), Ie heurt niet op zo’n gelègenheid (Ruw) 3. café In die gelegenheid bint de eerste en de leste borrel niet te kriegen daar wordt je geacht veel te drinken (Hgv), Kinder under zestien jaor mugt zunder geleide niet in een gelegenheid kommen (Eex) *De gelegenheid maakt de deif (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gelegenheid , gelegeneid , gelegendeid , gelegenheid
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gelegenheid , gelegenhied , zelfstandig naamwoord , de; 1. gelegenheid 2. feestelijke bijeenkomst of uitvoering 3. mogelijkheden qua ruimte 4. horecabedrijf e.d. 5. reisgelegenheid 6. feestelijke of plechtige gelegenheid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gelegenheid , geleegeneghaaid , zelfstandig naamwoord , geleegenegheeje , geleegeneghaaidjie , 1. gelegenheid Bij geleegeneghaaid kom ik wel is kortaevende Bij gelegenheid kom ik wel eens de avondje bij je doorbrengen 2. tijd Zie ook okkazie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
gelegenheid , gelègeneid , (zelfstandig naamwoord) , gelegenheid.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gelegenheid , geleegenighèijd , gelegenheid, omstandigheid , Geleegenighèijd makt d’n dief. Gelegenheid maakt de dief.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
gelegenheid , gelegenighèd , gelegenheid
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
gelegenheid , gelaegeheid , gelaegenheid , (vrouwelijk) , gelegenheid , Bie gelaege(n)heid kóm ich ins langs. Ich höb nog gein gelaege(n)heid gehadj óm ’t werk aaf te make.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gelegenheid , geleegendigheid , geleegeneghèd , zelfstandig naamwoord , gelegenheid; Cees Robben – Ze zitter ginne eene bij die gelegendigheid... (19680920); geleegeneghèd
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut