elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gelden

gelden , gilden , voor gelden, kosten. Hoeveel of wat gildt (geldt) het brood enz. is van dagelijksch gebruik.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
gelden , gelden , (sterk werkwoord) , gelden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gelden , gelden , (aan iets) = daartoe behooren, er een deel van uitmaken; hij geldt ʼr nijt an = hij kan (bv.) die erfenis niet mee deelen, hij kan geene aanspraken laten gelden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gelden , gellen , gelden; de botter zel geld gellen (de botter zel geld gelʼn) = ʼt zal er om gaan, alle zeilen worden bijgezet, bv. met het oog op beroemde harddraverijen of hardrijderijen; de boer mout wijten wat de botter geldt = de verkooper moet den eisch doen, niet de kooper het aanbod.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gelden , [kosten, gebruikt om de prijs van iets aan te duiden] , geldĕn , kosten: wat geldt dĕ botter?
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
gelden , gille , werkwoord , gelden. De meiste stumme gille, bij meerderheid van stemmen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gelden , gealn , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: gealt, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: gùel , 1 gelden, 2 waard zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gelden , gelde , sterk werkwoord , Gelden. De vervoeging luidt: gelde – gold/gouw (verouderd) – golden/gouwen (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gelden , gille , gelden (werkwoord); dè geelt nie “dat geldt niet”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
gelden , gelden , gell , Uitspraak gell in Kop van Drenthe = 1. gelden Die pries, die göl (Sle), Dat geldt neit, dat moet weer over (Row), Die man lat zuch goed gelden, as e der is horen (Hoh), Het is niet goed, ik laot het niet gelden (Ndo), Die regels geldt niet meer (Pdh) 2. kosten Dat geldt nogal nuver wat (Row), Wat geldt het roggestro op heden (Hijk), Dat land moet nog heel wat gelden (Nor), Wat geldt dei kou je nou? (Eev) 3. laten wegen, tellen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat gelle wij niet (Hgv) 4. erom gaan (Zuidoost-Drents zandgebied) Mörgen zal het even gelden zal er even flink worden aangepakt (Sle), Non zal het hum nog even gries gelden, d.i. der nog even flink achterhèer gaon (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gelden , gelden , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = steriliseren van jonge vrouwelijke varkens Lange elene was der op Möppelermark een kerel die jonge varkens geldde (Ruw), zie ook gelpen, giltensnieder
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gelden , gellen , werkwoord , 1. gelden; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kosten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gelden , geldn , gelden. Hie hef egöldn veur de beste loper.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gelden , gellen , werkwoord , 1. gelden 2. kosten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gelden , gelje , geltj, geldje/gólj, gególje , gelden
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gelden , gèlde , sterk werkwoord , gèlde - góld - gególde , gelden; Dirk Boutkan; gol; Henk van Rijen –  gold (verleden tijd van gelden); gèlle; gelden; Henk van Rijen –  'Dè gol ok vur mèn' - Dat gold ook voor mij. B gèlle - gòl/gou - gegòlle/gegouwe; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GILLEN, gol/gou, gegollen/gegouen - gelden, weerd zijn, Fr.valoir; gol; Henk van Rijen –  gold (verleden tijd van gelden)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut