elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geil 

geil , geil , (bijvoeglijk naamwoord) , welig (van planten), welgedaan (van menschen).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
geil , gail , geil, in de Ommelanden met de beteekenis van: brutaal, overmoedig, aanmatigend, voortkomende uit besef van onafhankelijkheid; de boeren hebben ’n best joar, zij wor’n ook zoo gail, is gijn doun mit te hebben; gail in ’t wassen wezen, zegt men van jonge menschen die op den leeftijd zijn dat zij snel groeien en dit ook doen; – van welig groeiende planten zegt men: zij bin gail. Spreekt men van eene vrouw (of meisje) van weelderigen lichaamsbouw, dan heet het allicht: ’t is ’n gail wief, of: ’n gaile maid, doch dan sluit het woord geenszins het denkbeeld van wulpsch in; gail spek = zeer vet spek, geheel zonder vleesch; gaile wolken = stapelwolken die donder en regen voorspellen; gaile koppen = dunderkoppen (zie aldaar). Oostfriesch geil, gail = welig, sterk, krachtig, vet; bronstig, enz.; Middel-Hoogduitsch geilen = welig groeien. (Het Groningsch heeft alzoo alleen de gunstige beteekenis, nl. die van welig; het Nederlandsch de ongunstige, het Oostfriesch heeft ze beide.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geil  , gaols , geil. Gaolse boeën, slecht smakende koffieboon.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
geil , gàel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , weelderig; gàel in t wasn, in de groeijaren
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
geil , gaail , geil (weelderigheid)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
geil , goil , bijvoeglijk naamwoord , 1. Geil, wellustig. 2. Weelderig (van gewassen) | Goil gras. Zegswijze zô goil as butter (as gras, as hooi, as ’n bos uien), zeer geil of wellustig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
geil , geil , onweersachtig.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
geil , geil , gail, gaail , Ook gail (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), gaail (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. geil, te sterk bemest, te vet Die rogge is veul te geil, die kan wal is an de grond gaon (Bui), Het is aordig geil gres slap, dik en snel groeiend gras (Bco), De eerpels staot veul te geil te weelderig in het loof (Dwi), Het is daor gien arg geil hookien grond (Rui), Die pink is völ te geil um bij de bol te doen (Pdh), Die koe vaort altied weerumme, die is vast te geil (Ruw), (zelfst.) Ik heuf niet zo veul mesten, der zit nog wel aold geil under oude bemesting (Gas), zo ook Beitenlaand mout aold gail wezen in het jaar ervoor goed bemest (Eel) 2. broeierig, groeizaam Het is geil weer (Sle), De lucht is geil, wie zellen wel dundern kriegen is broeierig (Vtm) 3. geil, wellustig Die mot is aordig geil, wij moet er met hen de beer (Eex), Die kou wordt gauw bols, hij is aordig gail (Row), Dat wicht, dat is een geile donder, ...geil zwien (Sle), Wat een geil wief wulps (Dwi), Die meid is zo geil as kattestront, ...as botter (Klv), Heb niet zukke geile proties vieze praatjes (Pdh), (zelfst.) Wat is dat ain gaile, der is gain man vailig veur (Vtm) 5. (van voedsel) overmatig vet Ik griezelde der van, toe as ik zo’n geil stuk spek op het bord kreeg (Ruw) *De geile man verspeult maor één keer in zeuven jaor wie zijn land goed bemest, mislukt de oogst maar eens in de zeven jaar (Pdh); Van de tien jaor wint de geile boer ien jaor (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geil , geil , (Gunninks woordenlijst van 1908) vruchtbaar, weelderig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
geil , geil , vruchtbaar. ’t Is daor meraekel geile grond, daor wil van alles gruujn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
geil , geil , zelfstandig naamwoord , et; oude vruchtbaarheid van grond, door eerdere bemesting
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
geil , geil , bijvoeglijk naamwoord , 1. in sterke mate vet, te vet, ook van grond: in zeer sterke mate vet, zwaar bemest 2. al te welig (van bomen, planten) 3. op uitbarsten, doorbreken staand, vooral m.b.t. de lucht, buien 4. geil m.b.t. seks
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
geil , gaail , gail , bijvoeglijk naamwoord , 1. geil, broeierig Een gaaile lucht en onweer op komst Een broeierige lucht en onweer op komst Mettut gaaile weer kejje de mellek gêên halleven dag goed houwe Met dit broeierige weer kun je melk nog geen halve dag goed houden 2. geil, bronstig Van ’t vreete van de deurgeschoote terrew wiere de bêêste zôô gaail as juin Van het vreten van de doorgeschoten tarwe werden de koeien enorm bronstig 3. walgelijk zoet Ik begrijp nie hoe jij die gaaile mellek ken drinke Ik begrijp niet dat jij die walgelijk zoete melk kunt drinken Ook gail [O] 1. geil Die vent is een gailen beer, hij doet altijd schuine praot in ’t bijzijn van vrouwe Die vent is een geile beer, hij doet altijd schuine praat in het bijzijn van vrouwen 2. broeierig Gail weertie, hè? Broeierig weertje, hè? 3. walgelijk zoet Ik begrijp niet hoe jij die gaile mellek ken drinke
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
geil , [vruchtbaar] , geil , vruchtbaar; geile gro(e)nd, vruchtbare grond; geil weer, groeizaam weer; geil gras, opschietend gras op een plek waar een koeienhoop gelegen heeft (en dat daarom niet door het vee gegeten wordt).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
geil , gèèl , bijvoeglijk naamwoord , gèèler, gèlst , geil; WBD (III.3.3:355) gèèl, hêet 'vies', 'vèùl' = onkuis? ook: hitsig, los, gek; WBD III.2.2:108 'geil' = geil, wellustig; A.P. de Bont – ge'l, bnw. 'geel', komp.: geelder
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut