elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geest 

geest , geest , (mannelijk) , geeste , geest.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
geest  , geis , geest.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
geest , geest , ik deed het buiten mijn geest, onbewust, zonder erbij te denken.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
geest , gees , zelfstandig naamwoord, mannelijk , geesn , geestverschijning
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
geest , gaarst , gaarste , zandrug
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
geest , giest , geest, geist, geeist , giesten , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook geest (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), geist (Kop van Drenthe, bet. 1.), geeist (Midden-Drenthe), in bet. 3. ook zonder t (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = 1. geest Hie hef lang legen mor non hef e de giest geven (Oos), Ik kan het mij best veur de giest halen (Dal), Wat zöt die man bleeik, hie zöt der oet as een geest (Gas), Hij is zo wit as een geest (Geb), Er huust een verkeerde giest in die man (Uff), Pinkstern is het feest van de Heilige Geest (Bov), Der loopt disse maond weer aordig boze giesten mensen die met een rekening aan de deur komen (Sle), Wij kregen vanmorgen weer een boze geest belastingaanslag (Dwij) 2. pit, spirit Die borrel, ...dat pèerd, daor zit wal giest in (Sle), Zo’n sloppe vent, der zit nou hielemaole gien geest ien (Ruw), 3. vluchtige stof Geest van teer was een middel tegen koezezeerte, het wör bij de aptiek eheulen (Wsv), Giest van teer wuur gebruukt op wratten en liekdoorns (Zdw), Der waren in een heel klein glazen buisie kleine watties met gees van teer der op te koop (Bei), Aj geeist van teer an de koezen deden, gungen je de koezen der steevaast an kepot; tegen koezenzeert hölp het meraokel (Eex), Giest van zaolt was een middel um het kèuper te poetsen zoutzuur (Hol) *Hoe groter giest, hoe groter biest (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geest , geest , hooggelegen land.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
geest , gèst , gist , geest.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
geest , geest , geest
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
geest , gees , geest.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
geest , geest , zelfstandig naamwoord , de; 1. geest 2. karakter, pittigheid, creativiteit in het denken 3. zienswijze 4. verzamelbegrip voor bep. vluchtige stoffen 5. sfeer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
geest , gêêst , zelfstandig naamwoord , gêêste , gêêssie , geest; Ik ken ’t m’n aaige nie meer voor de gêêst haole Ik kan het me niet meer herinneren; Ik zag m’n gêêssie kruipe Het zag er niet best voor me uit
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
geest , gest , geest
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
geest , vur de geest haole , herinneren
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
geest , gist , geest, gist , Hèllige Gist. Heilige Geest
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
geest , [leven] , geest , gest , leven, opgewektheid (W.-Veluwe); iemand de gest neerslaon, iemand de lust ontnemen (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
geest , geis , geist , (mannelijk) , geiste , 1. geest 2. geest, spook , De geis(t) kriege: inspiratie krijgen. Ich zeen miene geis(t) al kroepe: ik zie er tegenop. Vuuer de geis(t) hoeale. : ik zie er tegenop. Vuuer de geis(t) hoeale.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
geest , gist , zelfstandig naamwoord , geest; K&B in mene gist; R.J. 'die zie zwart as ene gist'; Dialectenquête 1876 - gist; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zene gist zien krèùne (MP'36) - ergens vreselijk tegenop zien; Cees Robben – Bezeten dur den helsen gist (19660527); Cees Robben – Den tobber (...) gaaf al lang den gist... (19570313); Cees Robben – Heej jouw perd verstaand..? Verstaand, dè weet ik nie.. Mar gist zit er in. (19800725); Henk van Rijen - hij gaaf de gist - hij ging dood; WBD III.1.4:207 'geestig' = grappig
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
geest , geis , geest
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut