elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gebroeders

gebroeders , gebreurs , gebroeders.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gebroeders , gebruurs , mv , broers, gebroeders.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gebroeders , gebruurs , broers.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
gebroeders , gebruuwers , gebroeders
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
gebroeders , gebreurs , gebroeders
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gebroeders , gebruurs , zelfstandig naamwoord, meervoud , gebroeders, gebroers; Cees Robben – Drie gebruurs... (19600304); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEBRUURS zelfstandig naamwoord m.mrv. - gebroeders: 't zijn drij gebruurs.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut