elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fuik

fuik , [stil, gesloten] , fûk , (bijvoeglijk naamwoord) , stil, gesloten.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
fuik , fûke , (vrouwelijk) , fûken , fuik.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
fuik , fûk , (bijvoeglijk naamwoord) , stil, gesloten; hé helt sik fûk, hij houdt zich alsof hij van niets weet.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
fuik , foek , fuik. (Bij v. Dale: fuik = langwerpige korf tot het vangen van visch in stroomend water.) – Onze fuiken zijn netten, uit twee trechters bestaande, met eene ruimte, koel (kuil) geheeten, aan het eind; is de aal daar aangeland dan kan zij niet weer terug en is dus gevangen. De foeken worden van touw en hoepen vervaardigd, en overeenkomen met: aalfuik (bij v. Dale): nauw toeloopend soort van net om aal en paling te vangen. – Onze zeelieden noemen gewoonlijk de Finsche golf de Foek, zeker minder om den vorm dan om het gevaarlijke van dit vaarwater. – Ook is het de benaming van het zuidoostelijke deel van het dorp Ulrum. Zegswijs: in de foek loopen, fig. voor: in het net loopen, zich laten beet nemen. Spreekwoord: Wel wijt woar de oal krōpt, zee de boer, dou zette zien foek in ’t woagenspoor, zooveel als: een stuivertje kan raar rollen, de fortuin is rond. Oostfriesch: wel wêt, wâr de âl löpt, sä’ Jan, do sett’ hê de fuke in ’t wagenspôr, of: in ’t gȫtegat, ook: in de schöstein.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
fuik , fuik , vuik, vuk , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast bij vissers vuik en vuk. Zie de wdbb. || Doen de vukken maar alvast in de skuit. – Malle fuiken, benaming voor een basterdstel; zie aldaar. – Eertijds werden ook zekere haarlokken aan weerskanten van het gelaat der draagster van de kap bij vergelijking fuikjes genoemd. Zie de platen in Karaktersch. || Dikwijls werd langs het voorhoofd een lokje van fijn gekruld haar gelegd in het midden smal en breder eindigende, ter weerszijden van het hoofd in krullen of fuikjes neerhangende, G. J. HONIG, Oud-Zaansch Bruiloftsfeest 48. – Vgl. de samenst. henfuik, raamfuik, sluisfuik, stelfuik.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
fuik , foek , fuik
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
fuik , fůkke , vrouwelijk , fůkken , fuik
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
fuik , foeke , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , foekn , fuuksken , 1 uitholling, 2 fuik; foekn in de kennebakke krieng, oud worden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
fuik , fuk , vuik , zelfstandig naamwoord de/’t , Dialectische variant van fuik. | Hei je al fukke zet? 2. Ouderwetse (open) vrouwenbroek, lange onderbroek. Meervoud fukke, in de zegswijze z’n fukke uitstaan hewwe, zijn slag hopen te slaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
fuik , foeke , 1. valse vouw. 2. fuik. 3. kneep, b.v.: doar zit defoeke = daar zit ’m de kneep. 4. narigheid, b.v.: in de foeke zitten = in de narigheid zitten. 5. maling, b.v.: in de foeke nemen = in de maling nemen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
fuik , foeke , 1. valse vrouw; 2. fuik; * vis in de foeke: midden in de roos! 3. een rare foeke: een raar geval; 4. doar zit de foeke: daar zit nou net de kneep.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
fuik , foek , foeke, fuuk , foeken , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook foeke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), fuuk (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = fuik Ze hadden de foeken oetzet, maor ze vungen niks (Bei), Ie hebben van die zundagvissers die niks vangen en dan maar een foeke lichten om toch maar mit vis thuus te kommen (Mep), De foeke wied los zetten mogelijkheid tot bieden geven door te overvragen (Koe), zo ook Zij hebt de foeke goed lös staon, as der nou maor iene bet (Zdw), Hij zit in de foeke hij kan geen kant meer op, ook fig. (Nije), Nait eerder roupen van vis eer ze in het foeke bint (Zui), Ze hebt hum lillijk in de foeke lelijk klemgezet (Hgv) 2. karwei (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) Het is een hiele foeke um det huus te zuken (Rui) 3. kern, oorzaak (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) O, schut hum daor de foeke is dat de oorzaak (N), Daor zit hum de foeke (Bro) 4. de klad (Zuidoost-Drents zandgebied), in De oorzaak is dat de foek der in zit (Exl) 5. vervelende zaak (Zuidoost-Drents zandgebied) Het is een malle foek (Oos) 6. uitpuilend deel van kledingstuk (Zuidoost-Drents zandgebied) Daor zit zo’n malle foek in de boks (Zwin) *De zegen van Habakuk en de foeken van de kreie (Geb); De zegen van Ruth en de foeken van Jacob, en dan kuj vissen (Geb), zo ook Nou de foeke van Tuun en de zegen van Ruth, kuj visvangen gezegd bij het weggaan (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fuik , foeke , fuik
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
fuik , foeke , fuik.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
fuik , foeke , foek , zelfstandig naamwoord , de; fuik (ook fig.)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
fuik , fuik , zelfstandig naamwoord , fuike , fuikie , damesondergoed van flink formaat Maaid, waddun fuike draeg jij!; Paeling in de fuik hebbe In verwachting zijn
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
fuik , foeke , (zelfstandig naamwoord) , 1. fuik; 2. valse vouw, kreukel, rimpel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
fuik , foek , (vrouwelijk) , foeke , fuukske , 1. fuik 2. deuk in gleufhoed 3. fut , De foek zètte óm vès te vange.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
fuik , foe~k , fuik
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut